104. Bijbelstudie over de

HONDERDVIERENVEERTIGDUIZEND

MEA V’ARBA’IM ELEF NEFESH V’ARBA’AT

tibrav >pn [la ,yibrav ham

 

 

Openbaring 7:1-14 en 14:1-5

 

 

Diverse keren kreeg ik mailtjes met de vraag wie de 144.000 uitverkorenen zijn, waarover in het laatste Bijbelboek Openbaringen tot twee keer aan toe wordt gesproken. Weet u, daarover heerst nogal veel verwarring en daarom zijn de meningen sterk verdeeld. Volgens sommigen zijn het leden van het Wachttorengenootschap, volgens anderen zijn het de Zevende Dag Adventisten volgens weer anderen zijn het de Mormonen. Er zijn zelfs Bijbeluitleggers die beweren dat de 144.000 een symbolische weergave zou zijn van alle gelovigen van alle tijden en van alle volken. Met al deze stellingen ben ik het absoluut niet eens omdat het hier volgens de context heel duidelijk niet gaat om gelovigen uit de volken, maar om gelovigen uit de 12 stammen van Israël, die tot geloof zijn gekomen ten tijde van de Grote Verdrukking, na de wegname van de Gemeente. Deze 144.000 verzegelden moeten beslist als Israëlieten naar het vlees geïdentificeerd worden, want als de Bijbeluitleggers “Israëlieten” ofwel "de kinderen Israëls" in Openbaring 2:14 letterlijk nemen, dan moeten zij “Israëlieten” ofwel "de kinderen Israëls" ook in Openbaring 7:4 letterlijk nemen. Als zij dat niet doen zijn ze niet consequent. Hetzelfde geldt ook voor de stam Juda, in het Hebreeuws Yehuda. Als men die in Openbaring 5:5 letterlijk neemt, dan moet men hem ook letterlijk nemen in Openbaring 7:5. En tenslotte nog dit: als de 144.000 verzegelden nadrukkelijk onderverdeeld worden in groepen van elk 12.000 onder opnoeming van alle 12 namen en er nadrukkelijk bij vermeld wordt dat het gaat om de 12 stammen van het volk Israël, hoe kan men dan nog beweren dat hiermee de leden van bepaalde niet-joodse kerkgenootschappen mee bedoeld zouden zijn? Wie zou mij anders kunnen uitleggen welke kerk bij welke stam hoort? Ik kan dus tot geen andere conclusie komen dan dat wij de tekst echt letterlijk moeten nemen. Sommigen zeggen daarom dat de 144.000 verzegelden uit de 12 stammen van Israël de Israëlieten zijn die volgens Openbaring 12:13-14 gedurende 3 ½ jaar buiten het gezicht van de antichrist verblijf zullen houden. Dat het in beide gevallen om Israëlieten gaat klopt natuurlijk, maar de 144.000 zijn beslist niet identiek aan de vrouw uit Openbaring 12, die immers al vóór de grote verdrukking door G’d in veiligheid wordt gebracht (zie hiervoor mijn Bijbelstudie nr. 056 over de ,ymyh tyrxa Acharit haYamim [de laatste dagen], waar ik uitvoerig hierop inga), terwijl de 144.000 midden in de verdrukking zullen blijven en juist daarom de verzegeling hard nodig hebben. Laten wij derhalve de teksten uit ]vyzx Chizayon [Openbaring], waarin de 144.000 worden genoemd, nauwkeurig bestuderen en hieruit onze conclusies trekken, te beginnen met Hoofdstuk 7: “Daarna zag ik vier engelen staan aan de vier hoeken der aarde, die de vier winden der aarde vasthielden, opdat er geen wind zou waaien over de aarde, of over de zee, of over enige boom. En ik zag een andere engel opkomen van de opgang der zon, hebbende het zegel van de levende G’d; en hij riep met luider stem tot de vier engelen, aan wie gegeven was aan de aarde en de zee schade toe te brengen, en hij zeide: Brengt geen schade toe aan de aarde, noch aan de zee, noch aan de bomen, voordat wij de knechten van onze G’d aan hun voorhoofd verzegeld hebben. En ik hoorde het getal van hen, die verzegeld waren: honderdvierenveertigduizend waren verzegeld uit alle stammen der kinderen Israëls. Uit de stam Yehuda [Juda] twaalfduizend verzegelden, uit de stam R’uven [Ruben] twaalfduizend uit de stam Gad [Gad] twaalfduizend, uit de stam Asher [Aser] twaalfduizend, uit de stam Naf’tali [Naftali] twaalfduizend, uit de stam M’nashe [Manasse] twaalfduizend, uit de stam Shim’on [Simeon] twaalfduizend, uit de stam Levi [Levi] twaalfduizend, uit de stam Yisachar [Issakar] twaalfduizend, uit de stam Zevulun [Zebulon] twaalfduizend, uit de stam Yosef [Jozef] twaalfduizend, uit de stam Bin’yamin [Benjamin] twaalfduizend verzegelden. Daarna zag ik, en zie, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle volk en stammen en natiën en talen stonden voor de troon en voor het Lam, bekleed met witte gewaden en met palmtakken in hun handen. En zij riepen met luider stem en zeiden: De zaligheid is van onze G’d, die op de troon gezeten is, en van het Lam! En al de engelen stonden rondom de troon en de oudsten en de vier dieren, en zij wierpen zich op hun aangezicht voor de troon en aanbaden G’d, zeggende: Amen, de lof en de heerlijkheid, en de wijsheid en de dankzegging, en de eer en de macht en de sterkte zij onze G’d tot in alle eeuwigheden! Amen. En één van de oudsten antwoordde en zeide tot mij: Wie zijn dezen, die bekleed zijn met de witte gewaden, en vanwaar zijn zij gekomen? En ik sprak tot hem: Mijn heer, gij weet het. En hij zeide tot mij: Dezen zijn het, die komen uit de grote verdrukking; en zij hebben hun gewaden gewassen en die wit gemaakt in het bloed des Lams. Daarom zijn zij voor de troon van G’d en zij vereren Hem dag en nacht in Zijn tempel; en Hij, die op de troon gezeten is, zal Zijn tent over hen uitspreiden. Zij zullen niet meer hongeren en niet meer dorsten, ook zal de zon niet op hen vallen, noch enige hitte, want het Lam, dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen voeren naar waterbronnen des levens; en G’d zal alle tranen van hun ogen afwissen.” (]vyzx Chizayon [Openbaring] 7:1-17). Zowel de 144.000 verzegelde Israëlieten alsook de grote schare uit alle volken en talen zijn late bekeerlingen, dat wil zeggen dat zij vóór de Grote Verdrukking nog geen deel uitmaken van de Gemeente (bestaande uit het gelovig deel van Israël en de gelovigen uit de volken die geënt zijn op de Edele Olijfboom), want anders zouden ook zij weggenomen en in veiligheid gebracht zijn, maar dat zij daarna alsnog tot geloof zullen komen en zich niet zullen buigen voor het beest. Maar wat betekent de verzegeling precies?

 

De verzegeling

 

In de oudheid was een zegel het zichtbare bewijs voor een koninklijk besluit en een bezegeling was het bekrachtigen van een verbond. Tot de huidige dag betekent verzegelen ook dat je van het verzegelde moet afblijven! Het is en blijft het eigendom van degene wiens zegel erop staat! Het zegel dient derhalve ook ter bescherming van het verzegelde voorwerp en in het geval van de hierboven behandelde tekst uit Chizayon laat het zegel op het voorhoofd van de uitverkorenen enerzijds aan de antichrist zien dat zij G’ds eigendom zijn en dat hij daarom van hen af moet blijven, maar het is tevens voor de engelen die G’ds strafgericht aan de ongehoorzame mensheid moeten voltrekken een teken wie zij wel en niet moeten straffen: “Hij riep met luider stem tot de vier engelen, aan wie gegeven was aan de aarde en de zee schade toe te brengen, en hij zeide: Brengt geen schade toe aan de aarde, noch aan de zee, noch aan de bomen, voordat wij de knechten van onze G’d aan hun voorhoofd verzegeld hebben!” (]vyzx Chizayon [Openbaring] 7:2-3). “En hun werd gezegd, dat zij aan het gras der aarde geen schade zouden toebrengen, noch aan enig gewas, noch aan enige boom, maar alleen aan de mensen, die het zegel van G’d niet op hun voorhoofden hadden!” (]vyzx Chizayon [Openbaring] 9:4). Dus vóór de oordelen losbreken, moeten alle uitverkorenen verzegeld worden. Dit zegel geeft wel aan dat ze van G’d zijn en dat Hij ze bewaart en ondersteunt in leed, maar dat houdt niet in dat ze helemaal niets ervaren zullen van de rampen die over de wereld komen en het is ook géén bescherming tegen het martelaarschap. De verzegeling geeft hen echter wel de garantie dat zij behouden worden voor de Olam Haba [de toekomende wereld] en dat zij in tegenstelling tot de grote schare uit alle volken niet gedood zullen worden, maar door hun verzegeling in staat gesteld zullen zijn om als zendelingen en geestelijke leiders te blijven fungeren tot het tijdstip waarop ook zij weggevoerd zullen worden naar G’ds troon. Daar zal ik straks nog nader op ingaan. Het merkteken op hun voorhoofd beschermt hen echter niet alleen tegen de aanvallen van de antichrist en zijn legers, maar ook tegen het strafgericht van G’ds engelen. Een soortgelijke openbaring als die de Eeuwige aan Yochanan [Johannes] gaf omtrent de verzegeling van de rechtvaardigen door een merkteken op hun voorhoofd, heeft reeds duizenden jaren tevoren ook de profeet Y’chezq’el [Ezechiël] ontvangen: “De heerlijkheid van de G’d van Israël nu had Zich opgeheven van de Keruv [Cherub] waarop zij rustte, en Zich begeven naar de dorpel van de tempel, en Hij riep de man die in linnen gekleed was en de schrijfkoker aan zijn zijde droeg. En de Eeuwige zeide tot hem: Trek midden door de stad, midden door Yerushalayim [Jeruzalem], en maak een teken op de voorhoofden der mannen die zuchten en kermen over al de gruwelen die daar bedreven worden. Tot de anderen zeide Hij te mijnen aanhoren: Trekt achter hem aan door de stad en slaat neer. Ontziet niet en hebt geen deernis. Grijsaards, jongelingen en jonge meisjes, kleine kinderen en vrouwen, moet gij doden en verdelgen; maar niemand die het teken draagt, moogt gij aanraken!” (laqzxy Yechez’q’el [Ezechiël] 9:3-6). Het in Openbaring 7 genoemde aantal van de verzegelden die het merkteken op hun voorhoofd dragen, kunnen volgens sommige uitleggers ook symbolisch bedoeld zijn, om de volheid van het volk Israël aan te duiden. Het getal 144.000 (12.000 van elk der twaalf stammen) is immers 12 x 12 x 10 x 10 x 10, het getal van de grootst volmaakte volheid. Ook al hadden heel wat Israëlieten zich schuldig gemaakt aan het overtreden van de Tora en het verwerpen van Yeshua als Mashiach [Messias], toch zou uiteindelijk 'gans Israël' behouden worden, zoals Sha’ul [Paulus] in Romeinen 11:26 heeft geschreven. Wij moeten hierbij denken aan lavy Yo’el [Joël] 2:32, waar geschreven staat: “En het zal geschieden, dat ieder die de naam van de Eeuwige aanroept, behouden zal worden, want op de berg Tziyon [Sion] en te Yerushalayim [Jeruzalem] zal ontkoming zijn, zoals de Eeuwige gezegd heeft; en tot de ontkomenen zullen zij behoren, die de Eeuwige zal roepen!” Vooral de toevoeging dat degenen die de Eeuwige zal roepen lijkt erop te wijzen dat daar de 144.000 verzegelden mee bedoeld zijn. In hyrrkz Zechar’ya [Zacharia] 13:8-9 lezen wij: “In het gehele land, luidt het woord van Adonai, zullen twee derden uitgeroeid worden en de geest geven, maar een derde zal daarin overblijven. Dat derde deel zal Ik in het vuur brengen, en Ik zal hen smelten, zoals men zilver smelt, ja hen louteren, zoals men goud loutert. Zij zullen Mijn naam aanroepen en Ik zal hen verhoren. Ik zeg: Dat is Mijn volk en zij zullen zeggen: De Eeuwige is mijn G’d!” Ook al wordt volgens deze profetie 2/3 van het volk Israël uitgeroeid door de legers van de antichrist, toch zal het overgebleven 1/3 deel, dat de naam van de Eeuwige aanroept, het hele volk Israël vertegenwoordigen. De 144.000 zijn dus volgens sommige uitleggers het symbolisch aantal van al degenen, die uit alle 12 stammen van G’ds volk Israël op hun voorhoofd getekend zijn gedurende de tijd van het rijk van de antichrist na de vlucht der vrouw naar de woestijn, en die in de algemene afval aan de Eeuwige, hun G’d, altijd trouw gebleven zijn; en worden door G’ds zegel op hun voorhoofd onderscheiden van degenen, die het merkteken van het beest hebben ontvangen! Het was in de tijd dat deze profeten hun openbaringen op schrift stelden gebruikelijk, dat slaven op hun voorhoofd het merkteken van hun meester droegen en zo laat ook de G’d van Israël aan een ieder zien wie Hem toebehoren. Yochanan [Johannes] gaat in ]vyzx Chizayon [Openbaring] 14:1-5 verder met zijn beschrijving van het Lam en de vrijgekochten en zo komen we tot de tweede tekst over de 144.000, die wij nader zullen bestuderen: “En ik zag en zie, het Lam stond op de berg Tziyon [Sion] en met Hem honderdvierenveertigduizend, op wier voorhoofden Zijn naam en de naam Zijns Vaders geschreven stonden. En ik hoorde een stem uit de hemel als de stem van vele wateren en als de stem van zware donder. En de stem, die ik hoorde, was als van citerspelers, spelende op hun citers; en zij zongen een nieuw gezang voor de troon en voor de vier dieren en de oudsten; en niemand kon het gezang leren dan de honderdvierenveertigduizend, de losgekochten van de aarde. Dezen zijn het, die zich niet met vrouwen hebben bevlekt, want zij zijn maagdelijk. Dezen zijn het, die het Lam volgen, waar Hij ook heengaat. Dezen zijn gekocht uit de mensen als eerstelingen voor G’d en het Lam. En in hun mond is geen leugen gevonden; zij zijn onberispelijk…”

 

Onbevlekt

 

De berg Tziyon [Sion], vanouds de woonplaats van G’d, is de plaats waar het Lam de overgebleven rest van Israël bij Zijn wederkomst verzamelt, nadat Hij hun vijanden heeft vernietigd zoals wij ook in lavy Yo’el [Joël] 2:32 gelezen hebben. Deze mensen mogen voor altijd bij de Eeuwige zijn. Er is geen dreiging meer van de kant van de antichrist en zijn leger. Deze rechtvaardige Israëlieten zijn onlosmakelijk verbonden met Yeshua, want zij blijven het Lam volgen door lijden en verdrukking heen. Zij doen niet mee aan afgodendienst en overspel. De 144.000 worden gekend aan hun kuisheid en reinheid: Zij zijn maagden. Zij hebben zich niet bevlekt, zomin met lichamelijke als met geestelijke hoererij. Of de 144.000 uitverkoren Israëlieten daadwerkelijk in maagdelijke toestand zullen zijn en nog nooit in hun leven omgang met vrouwen hebben gehad of zich daarvan slechts onthouden vanaf het moment van hun verzegeling weten we niet. Het zou namelijk best ook wel mogelijk zijn dat we daarbij meer moeten denken aan de richtlijnen met betrekking tot seksuele onthouding die de Eeuwige heeft opgesteld in verband met de priesterdienst. Dat is echter geen celibaat, maar een onthouding van tijdelijke aard. De priesters mochten, als zij dienst in de tempel deden, geen omgang met vrouwen hebben omdat men na een zaadlozing immers onrein is tot de avond en een priester in zijn onreinheid het heiligdom niet mocht naderen, laat staan binnen gaan. Het is dus zonder meer denkbaar dat de 144.000 uitverkorenen door hun zegel op het voorhoofd zich om deze reden zich niet met vrouwen hebben bevlekt, zoals in bovenstaande tekst letterlijk staat. Voor de krijgers geldt in principe hetzelfde als zij optrekken in de heilige oorlog, hetgeen in ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 23:10-12 en 15 nadrukkelijk staat geschreven: “Tijdens een veldtocht tegen de vijand moet u zich in acht nemen voor onbetamelijkheden. Zo moet een man die ’s nachts door een zaadlozing onrein is geworden het legerkamp uit gaan en buiten blijven. Tegen het vallen van de avond moet hij zich baden; na zonsondergang mag hij dan het kamp weer binnenkomen. Want de Eeuwige, uw G’d, is tijdens zo’n veldtocht in uw midden, om u te beschermen en u te laten zegevieren over uw vijand. Daarom moet u het kamp rein houden, opdat hij niets onbetamelijks bij u aantreft en hij zich niet van u afkeert!” (NBV). De 144.000 verzegelden bevinden zich in staat van oorlog met het leger van de antichrist en daarom is het ook zonder meer denkbaar dat voor hen ook de richtlijnen met betrekking tot seksuele onthouding die de Eeuwige heeft opgesteld voor de oorlogsvoering van toepassing zijn. Ook koning David en zijn manschappen hielden zich volgens a lavm> Sh’mu’el alef [1 Samuël] 21:4-6 aan deze voorschriften dat de mannen die oorlog voerden geacht werden, geen omgang met vrouwen te hebben zolang ze in actieve dienst waren: “Daarop antwoordde de priester David: Ik heb geen gewoon brood voorhanden, maar er is wel heilig brood; als de manschappen zich maar van de vrouwen onthouden hebben. David antwoordde de priester en zeide tot hem: Zeker, de omgang met vrouwen is ons, evenals vroeger, ontzegd, wanneer ik uittrek, de wapens der  manschappen zijn heilig, en al is dit een ongewijde tocht, niettemin is hij heden heilig door de wapens. Toen gaf de priester hem het heilige brood, omdat er geen ander was dan het toonbrood dat men gewoon is voor het aangezicht van Adonai weg te nemen, om op de dag dat men het wegneemt, vers brood neer te leggen.” Zoals gezegd was de seksuele onthouding in beide gevallen slechts van tijdelijke aard, want een volledig celibaat zoals in de rooms-katholieke Kerk kent het Jodendom niet, want deze onthouding betekent dus op geen enkele wijze een miskenning van de seksualiteit, maar wel een grondbesef dat het heilige en het seksuele uit elkaar gehouden moeten worden. Deze onthouding is derhalve niet moreel, maar ritueel van aard.

 

Losgekocht van de aarde

 

De verzegeling van de 144.000 voordat de engelen hun strafgericht zouden uitvoeren over de aarde alsook de vermelding dat deze uitverkoren samen met het Lam op de berg Tziyon [Sion]  staan geeft aan, dat zij zich op dat tijdstip hier op aarde bevinden, maar in Openbaring 14:2-3 zijn ze duidelijk in de hemel, want daar zingen zij een nieuw lied voor G’ds troon. Maar als zij door het zegel op hun voorhoofd gespaard blijven en niet vermoord zijn in tegenstelling tot de grote schare in hun witte gewaden, hoe kunnen zij dan in levenden lijve in de hemel zijn? Hun omschrijving in vers 3 en 4 geeft ons daarin een hint: “En niemand kon het lied leren dan de honderdvierenveertigduizend, zij die van de aarde zijn losgekocht. - Van alle mensen zijn zij losgekocht, de eerste oogst voor G’d en het Lam!” (Groot Nieuws Bijbel). Zij zijn losgekocht van de aarde en dus niet meer gebonden aan een vergankelijk aards lichaam. Deze 144.000 uitverkorenen worden dus tijdens de Grote Verdrukking weggevoerd naar G’ds troon, na de wegname van de Gemeente die reeds voor of bij het begin van de Grote Verdrukking zal plaats vinden. Maar waarop is deze theorie gebaseerd? Is dat ergens in de Bijbel terug te vinden? Ik denk van wel! In hoofdstuk 12 lezen wij het volgende: “En er werd een groot teken in de hemel gezien: een vrouw, met de zon bekleed, met de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren op haar hoofd; en zij was zwanger en schreeuwde in haar weeën en in haar pijn om te baren. En er werd een ander teken in de hemel gezien, en zie, een grote rossige draak met zeven koppen en tien horens, en op zijn koppen zeven kronen. En zijn staart sleepte een derde van de sterren des hemels mede en wierp die op de aarde. En de draak stond voor de vrouw, die baren zou, om, zodra zij haar kind gebaard had, dit te verslinden. En zij baarde een zoon, een mannelijk wezen, dat alle heidenen zal hoeden met een ijzeren staf; en haar kind werd plotseling weggevoerd naar G’d en zijn troon. En de vrouw vluchtte naar de woestijn, waar zij een plaats heeft, door G’d bereid, opdat zij daar twaalfhonderd zestig dagen onderhouden zou worden!” (]vyzx Chizayon [Openbaring] 12:1-6). In Bijbelstudie nr. 056 heb ik uitgelegd, dat deze vrouw geïdentificeerd moet worden met het volk Israël, want de 12 sterren op haar hoofd symboliseren immers de 12 stammen van Israël. Haar kind dat zij zal baren, een zoon, wordt over het algemeen gezien als Yeshua, want dat is het meest voor de hand liggend, te meer door de vermelding dat hij weggevoerd zal worden tot G’ds troon. Op zich klopt dat wel en ook ik kwam in studie 056 tot dezelfde conclusie. Maar er is ook nog een andere uitleg mogelijk, namelijk dat met die zoon een bepaald deel van het volk bedoeld is: de 144.000 uit alle 12 stammen! Daar valt het een en ander voor te zeggen, want met het oog op zware pijn die Israël tijdens de Grote Verdrukking moet ondergaan wordt er in vers 2 gesproken over haar weeën en haar barensnood. Vervolgens lezen wij in vers 5 dat haar zoon na de bevalling plotseling, in andere vertalingen staat ‘ijlings’ wordt weggevoerd naar G’d en Zijn troon. Yeshua is echter niet in het midden van de Grote Verdrukking geboren en ook Zijn hemelvaart vond niet plaats tijdens de Grote Verdrukking. Dus wat dat betreft zou daar toch iets anders mee bedoeld kunnen zijn en ik denk daarbij inderdaad toch wel aan een bepaalde groep Israëlieten: de 144.000 uit alle 12 stammen! Ook vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 66:5-9, waarin eveneens gesproken wordt over de weeën van Israël en de bevalling van een zoon, schijnt in die richting te wijzen: “Nog voor Tziyon [Sion] weeën heeft, moet ze bevallen; voor de barensnood over haar komt, brengt ze een zoon ter wereld. Wie heeft ooit zoiets gehoord? Wie heeft ooit zoiets gezien? Kan een land in één dag worden gebaard, kan een volk in één keer worden geboren? Maar Tziyon [Sion] baart haar kinderen terwijl de weeën net begonnen zijn. Zou ik de moederschoot openen en niet laten baren? zegt de Eeuwige. Of zou Ik laten baren en de schoot gesloten houden? zegt jullie G’d!” Het is interessant om te weten dat er in een andere profetie over de barensweeën van Israël en de geboorte van haar zoon nadrukkelijk erop wordt gewezen, dat de stam Ef’rayim [Efraïm] de moederschoot niet zal verlaten en dus in elk geval onder zijn eigen naam geen deel zal uitmaken van de zoon die geboren zal worden als zijnde de 144.000 uitverkorenen uit de 12 stammen: Ef’rayim’s [Efraïm’s] misdaden zijn gebundeld en zijn zonden blijven bewaard. Wanneer de barensweeën komen, is hij het domme kind dat, als het zover is, de weg uit de baarmoeder niet weet te vinden.” (i>vh Hoshea [Hosea] 13:12-13).

 

Onberispelijk

 

In ]vyzx Chizayon [Openbaring] 14:5 staat, dat de 144.000 verzegelden onberispelijk zijn en dat er geen leugen over hun lippen komt. Datzelfde verwacht de Eeuwige uiteraard ook van ons allen. Yeshua volgen betekent immers onberispelijk en eerlijk zijn en dus afstand doen van alles waarmee de waarheid geweld wordt aangedaan, zoals oneerlijkheid tegenover onze medemensen en betekent ook, Hem onder alle omstandigheden nooit te verloochenen. Dat is een heel zware weg, want het is echt niet gemakkelijk om Yeshua haMashiach te volgen, nu al niet - laat staan in de tijd van de grote verdrukking!!! Maar het is een weg die uitkomt bij G’d, in heerlijke veiligheid. Laten ook wij voor deze weg kiezen, want er staat geschreven: “Wie zegt, dat hij in Hem blijft, behoort ook zelf zó te wandelen, als Hij gewandeld heeft!” (a ]nxvy Yochanan alef [1 Johannes] 2:1-6).  De 144.000 verzegelden dragen Zijn naam en die van Zijn Vader op hun voorhoofden. Zo wordt duidelijk dat ze bij Hem horen, want zij zijn uitverkoren kinderen van G’d en waardige vertegenwoordigers van Zijn volk Israël, dat door Hem veilig gesteld en bevrijd is!

 

De weggelaten stammen

 

Voordat ik deze studie zal afsluiten wil ik toch nog even terugkomen op de opsomming van de 12 stammen in ]vyzx Chizayon [Openbaring] 7. In vers 4 lezen wij: “En ik hoorde het getal van hen, die verzegeld waren: honderdvierenveertigduizend waren verzegeld uit alle stammen der kinderen Israëls.”  In de nieuwe vertaling staat: “...afkomstig uit elke stam van Israël.” Maar als wij daarna verder lezen in de verzen 5 t/m 8, dan valt ons op dat dit niet helemaal klopt, want er ontbreken namelijk twee stammen in dat lijstje en toch komen ze weer uit bij 12. Hoe kan dat? Wat is er aan de hand? Welke twee stammen worden hier niet genoemd en welke twee anderen, die er eigenlijk niet tussen horen, wel? Het eerste wat mij opvalt, is dat Levi, de stam van de priesters, hier gewoon aanwezig is terwijl deze stam doorgaans weggelaten wordt in de opsomming der 12 stammen gezien het feit dat hij geen erfdeel heeft in het land. Yehuda [Juda] wordt in Openbaring 7 in elk geval als eerste genoemd, want dat is de stam waaruit Yeshua haMashiach werd geboren. Bij de opsomming van de twaalf stammen valt mij verder op, dat Dan weggelaten wordt. Yosef [Jozef] daarentegen staat naast M’nashe [Manasse], zijn oudste zoon, wel op de lijst, maar niet Ef’rayim [Efraïm], zijn jongste zoon. Dat is op zich wel vreemd. Ya’aqov [Jakob] had 12 zonen, maar Yosef [Jozef] is nooit een stam geworden. In plaats daarvan zijn er de stammen Ef’rayim [Efraïm] en M’nashe [Manasse] gekomen, naar de twee zonen van Yosef, waardoor er dus inclusief Levi in totaal eigenlijk dertien stammen zijn. Een prachtig voorbeeld zien wij in Numeri 1:4-46. Daar worden de stamhoofden aangesteld en alle weerbare mannen geteld per stam. In de verzen 47-49 lezen wij echter: “Degenen die tot de stam Levi behoorden werden niet ingeschreven. De Eeuwige had namelijk tegen Moshe [Mozes] gezegd: De stam Levi mag je niet inschrijven, je mag hen niet met de andere Israëlieten meetellen!” Door Levi er in Openbaring 7 wel mee te tellen wordt daarmee eigenlijk te kennen gegeven dat er nu geen sprake meer is van een aparte priesterstam, want volgens 1 Petrus 2:9 vormt nu de hele Messiasbelijdende Gemeente een koninklijk priesterschap. In Openbaring 7 missen we echter, zoals gezegd, de stam Dan, die daarentegen wel voorkomt in Ezechiël 48, waar eveneens alle stammen opgenoemd worden bij de verdeling van het land in het Messiaanse Vrederijk. Maar op de stam Dan kom ik straks nog uitgebreid terug. Eerst moeten we proberen te achterhalen waarom Yosef [Jozef] genoemd wordt in plaats van Ef’rayim [Efraïm]. Op zich is dat helemaal niet zo vreemd, want in de TeNaCH zijn er namelijk meer teksten te vinden waarin Yosef [Jozef] en Ef’rayim [Efraïm] uitwisselbaar gebruikt worden terwijl dat in principe onmogelijk is gezien het feit dat ook M’nashe [Manasse] een zoon van Yosef [Jozef] is. Waarom ze het dan toch doen zou ik niet weten, maar het staat er wel. Een mogelijke verklaring zou het feit kunnen zijn dat Ef’rayim [Efraïm] het eerstgeboorterecht bezat en daardoor als erfgenaam de naam van zijn vader mocht dragen. Een bekend voorbeeld voor de uitwisselbaarheid van de namen Yosef [Jozef] en Ef’rayim [Efraïm]  vinden wij in laqzxy Yechez’q’el [Ezechiël] 37:15-19, waarin de hereniging van de twee koninkrijken wordt aangekondigd: “Het woord van Adonai kwam tot mij: Gij mensenkind, neem een stuk hout en schrijf daarop: voor Yehuda [Juda] en de Israëlieten die daarbij behoren; neem dan een ander stuk hout en schrijf daarop: voor Yosef [Jozef] - het stuk hout van Ef’rayim [Efraïm] - en het gehele huis Israëls dat daarbij behoort; voeg ze dan aan elkander tot één stuk hout, zodat zij in uw hand tot één worden. Wanneer nu uw volksgenoten u vragen: Wilt gij ons niet meedelen, wat gij daarmee bedoelt? zeg dan tot hen: Zo zegt de Eeuwige Adonai: zie, Ik neem het stuk hout van Yosef [Jozef] - dat aan Ef’rayim [Efraïm] toebehoort - en van de stammen Israëls die daarbij behoren, en Ik voeg het bij het stuk van Yehuda [Juda] en maak ze tot één stuk hout, zodat zij één zijn in Mijn hand.” In deze profetie wordt de naam Yosef [Jozef] twee keer verduidelijkt met Ef’rayim [Efraïm] terwijl de naam M’nashe [Manasse] geen enkele keer genoemd word, waardoor Yosef [Jozef] hier duidelijk verwijst naar de stam Ef’rayim [Efraïm], hetgeen derhalve dus ook bij de opsomming van de stammen in Openbaring 7 naar alle waarschijnlijkheid het geval zou kunnen zijn. Dat de naam Ef’rayim [Efraïm] niet genoemd wordt zou verband kunnen houden met i>vh Hoshea [Hosea] 13:1, want daar staat geschreven: “Als de stam Ef’rayim [Efraïm]  zich liet horen, beefde iedereen; hij had groot gezag in Israël. Toen maakte hij zich schuldig aan de verering van Ba’al, en daarmee tekende hij zijn doodvonnis.” Maar dat deze stam desondanks toch evengoed meegeteld wordt onder de naam Yosef zou erop kunnen wijzen dat daarmee de rechtvaardigen uit deze stam bedoeld zijn, die zich niet schuldig gemaakt hebben aan de collectieve afgoderij en om deze redenen waardig bevonden zijn de naam van hun vader Yosef te mogen dragen. Met de weglating van de stam Dan wordt het wat lastiger om dit te verklaren. Hierover is door de eeuwen heen veel gespeculeerd. Volgens laqzxy Yechez’q’el [Ezechiël] 48:1-35, waar de verdeling van het land Israël onder de 12 stammen in het toekomstige Duizendjarig Rijk wordt beschreven, zal Dan in vers 1 in het Noorden van Israel gelegen zijn. Dus hier wordt Dan juist als eerste genoemd en verwerft in deze profetie dus ook één deel. In de heilige stad is er volgens vers 32 zelfs een Dan-poort. Over de uitschakeling van Dan als stam is in de Bijbel geen duidelijke reden te vinden. Dat Dan in Openbaring 7 niet voor komt wil dus niet zeggen dat Dan ook daadwerkelijk als stam verdwenen zou zijn, alleen is er niemand uit die stam verzegeld. Volgens sommige Bijbeluitleggers zou dit verband houden met de profetische woorden van Ya'aqov [Jakob], waar Dan als een slang wordt voorgesteld: “Moge Dan een slang op de weg zijn, een hoornslang op het pad, die in de hielen van het paard bijt, zodat zijn berijder achterover valt!” (ty>arb B'reshit [Genesis] 49:17). Daarom zijn deze uitleggers ook van mening dat de anti-christ mogelijkerwijs uit de stam Dan zou komen. Daarbij wordt ook gedacht aan vhymry Yir'm'yahu [Jeremia] 8:16-17. Dan komt immers heel negatief over in de TeNaCH. De eerste G'dslasteraar kwam uit de stam van Dan. De naam Dan komt weliswaar voor in de stammenlijst in 1 Kronieken 2, maar als daarna zes hoofdstukken lang alle stammen met hun geslachtsregisters worden langsgegaan, wordt Dan overgeslagen! Dit zou kunnen zijn omdat de stam Dan degene was die zich in tegenstelling tot de overige stammen zeer nadrukkelijk met de afgodendienst bezig hield. Dan heeft openlijk de afgoderij ingevoerd, een gouden kalf stond in Dan. In ,ytp> Shof'tim [Richteren] 17 en 18 valt na te lezen dat de stam Dan geen grondgebied binnen Israel had, en zich wendde tot afgoderij. Eigenlijk had Dan in principe wel een erfdeel in Israel (zie o.a. in i>vhy Y'hoshua [Jozua] 19:40), maar op de een of andere manier konden ze het toch niet krijgen. Vervolgens namen ze een stad in die ze Dan noemden in het gebied van Naf’tali. Hoe dan ook, volgens de meeste Bijbeluitleggers worden de Danieten in Openbaringen 7 overgeslagen omdat zij de eersten geweest zijn, die zich tot afgoderij begeven hebben en de gouden kalveren van Yerov'am [Jerobeam] te Dan hebben geherbergd (a ,yklm M'lachim alef [1 Koningen] 12), omdat zij ook onder de eersten zijn geweest, die door de heidenen zijn weggevoerd (b ,yklm M'lachim bet [2 Koningen] 16) en onder deze verstrooid zijn gebleven. Daarom wordt volgens hen de stam van Dan ook na de wederkeer der Israëlieten uit de ballingschap van Babel niet meer onder de Israëlitische stammen in het eerste boek der Kronieken geteld. Uit dit alles trekken derhalve deze Bijbeluitleggers de conclusie dat er voor de rebellie die met Dan geassocieerd wordt, in het herstelde Israël geen plek is en de stam Dan daarom ook niet vertegenwoordigd kan zijn in de 144.000. Ik kan me daar toch niet helemaal in vinden. Dat Dan in de loop der geschiedenis vanwege zijn afgoderij en wandaden zijn erfdeel in het land K’na’an [Kanaän] verkwanseld heeft, klopt natuurlijk wel, maar dat hij daardoor ook zijn erfdeel in G'ds Koninkrijk verloren zou hebben gaat mij te ver, want ik kan me zo voorstellen dat de rest van Israel het er eigenlijk ook niet veel beter heeft afgebracht als wij kijken wat die allemaal gedaan hebben. Ik vind het daarom toch wel vreemd, dat de andere stammen wel, maar Dan niet in de opsomming van de 144.000 invoorkomen, toch vraag me niet wat de exacte reden is, want die weet ik ook niet. Wat ik wel weet, is dat de stam Dan wel degelijk een deel zal hebben in het Messiaanse vrederijk. In laqzxy Yechez’q’el [Ezechiël] 48:1 staat Dan namelijk, zoals ik reeds eerder heb aangehaald, wel genoemd voor een erfdeel in het duizendjarig rijk. Dus wat dat betreft is het enerzijds wel opmerkelijk, dat onder de 144.000 verzegelden in Openbaring 7 de stam van Dan niet vermeld wordt, maar aan de andere kant wil dat dus nog niet zeggen dat Dan in de eindtijd helemaal niet meer zou meetellen. De gedachte dat de antichrist uit de stam Dan zou komen is dus voornamelijk gebaseerd op een negatieve uitleg van het gebed dat Ya'aqov [Jakob] over zijn zoon Dan uitsprak, waarin hij Dan vergelijkt met een slang. Die slang is volgens deze uitleggers de oude slang en dat zou dan de antichrist moeten zijn. Dit is een uitleg, die mij eerlijk gezegd wat vergezocht lijkt, want de vergelijking van Dan met een slang hoeft helemaal niet negatief opgevat te worden. Ya'aqov kan het namelijk ook best wel positief bedoeld hebben als je rekening houdt met het feit dat Dan immers geen zoon was van een der beide wettige echtgenotes van Ya'aqov, maar van de slavin Bil'ha en ook als zodanig werd behandeld, alsook met de betekenis van zijn naam. Dan betekent namelijk "richten" ofwel "recht verschaffen". Hoewel Dan de zoon van een slavin was, bad Ya'aqov voor hem, dat hij evengoed, overeenkomstig zijn naam, zijn volk zal richten als een van de stammen van Israël. Toch als zoon van de slavin bevond Dan zich na de dood van zijn vader, die hem toen niet meer in bescherming kon nemen, toch wel in een eigenaardige positie, want enigszins minder geacht dan de andere zonen uit Lea of Rachel was hij genoodzaakt om de voorzichtigheid van de slangen in beoefening te brengen. Daarom wordt hij door Ya'aqov met een slang vergeleken, die door slimheid of list moet winnen. Dat kwam later zelfs heel duidelijk naar voren in het verhaal van Shim'shon [Simson], die uit de stam Dan was en Israël heeft gericht ofwel recht verschaft heeft voor zijn volk, dat hij verlost heeft uit de hand der Filistijnen. Toen hij de afgodentempel omver rukte onder de Filistijnen, die op het dak ervan waren, heeft hij als het ware in de hielen van het paard gebeten zodat zijn berijder achterover viel, precies zoals Ya'aqov in zijn beeldspraak in B'reshit [Genesis] 49:17 aangekondigd had. Uit Dan kwam dus Shim'shon [Simson] voort, de meest gevierde onder de richters, die echter meer door slimheid heeft uitgemunt dan door echte heldenmoed, alhoewel ook die best wel aanwezig was. Deze richter wordt overigens genoemd in de rij van geloofsgetuigen in Hebreeën 11. De conclusie die ik hieruit trek is dus, dat wij ons oordeel over de stam Dan niet moeten baseren op zijn al dan niet negatieve vergelijking met een slang in vers 17, maar in de eerste plaats op de positieve belofte in vers 16: "Dan zal zijn volk richten als een der stammen Israëls!" (NBG-vertaling) ofwel "Dan, hij zal het recht van zijn volk handhaven, want hij hoort bij de stammen van Israël!" (Groot Nieuws vertaling). Ik vind het daarom ook heel bijzonder dat Ya'aqov in vers 18 aan toevoegt: "Op uw heil wacht ik, Adonai!", hetgeen hij bij zijn overige zonen niet deed... Samenvattend mogen wij in elk geval concluderen, dat de 144.000 uitverkorenen toch wel het hele volk Israël vertegenwoordigen, en ooit zullen zij een nieuw lied zingen voor G’ds troon en samen met de grote schare die niemand tellen kan zullen zij roepen met luider stem: Hayeshu’a leEloheinu haYoshev al haKise v’laSe! - De zaligheid is van G’d, die samen met het Lam regeert op zijn troon!” (]vyzx Chizayon [Openbaring] 7:10). Amen!

 

Werner Stauder

 

 

 

 

vnyhvlal hiv>yh

 

vnyhvlal hiv>yh

ackh li b>vyh

h>lv

dvbkhv hkrbh

hdvthv hmkxh

zihv hrvbghv rqyh

 

vnyhvlal

(3x) ,ymlvi9ymlvil

]ma

 

vnyhvlal hiv>yh

ackh li b>vyh

h>lv

dvbkhv hkrbh

hdvthv hmkxh

zihv hrvbghv rqyh

 

vnyhvlal

(3x) ,ymlvi9ymlvil

]ma

 

Hayeshu’a leEloheinu

 

Hayeshu’a leEloheinu

haYoshev al haKise

v’laSe!

HaB’racha v’haKavod,

haChoch’ma v’haToda,

haY’qar v’haG’vura v’haOz

 

l’Eloheinu

l’ol’mei olamim! (3x)

Amen!

 

Hayeshu’a leEloheinu

haYoshev al haKise

v’laSe!

HaB’racha v’haKavod,

haChoch’ma v’haToda,

haY’qar v’haG’vura v’haOz

 

l’Eloheinu

l’ol’mei olamim! (3x)

Amen!

 

De zaligheid is van G’d

 

De zaligheid is van G’d,

die samen met het Lam

regeert op zijn troon!

Eer en rijkdom,

wijsheid en macht,

heerlijkheid, sterkte en kracht

 

zij onze G’d

voor eeuwig en eeuwig! (3x)

Amen!

 

En wij de verlosten zijn sterk

door 't woord van ons getuigenis!

En wij roepen uit:

Eer en rijkdom,

wijsheid en macht,

heerlijkheid, sterkte en kracht

 

zij onze G’d

voor eeuwig en eeuwig! (3x)

Amen!