092.
Bijbelstudie over het
ONZE VADER - AVINU SHEBASHAMAYIM
,ym>b>
vnyba
De Tal’midim [discipelen] van Yeshua vroegen Hem op een zekere dag om hen te leren bidden. Yeshua gaf hen een glasheldere uitleg in een systematische opbouw met duidelijke richtlijnen die ook voor u en mij van toepassing zijn. Hij zei: “Wanneer gij bidt, zult gij niet zijn als de huichelaars, want zij staan gaarne in de synagogen en op de hoeken der pleinen te bidden, om zich aan de mensen te vertonen. Voorwaar, Ik zeg u, zij hebben hun loon reeds. Maar gij, wanneer gij bidt, ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader in het verborgene; en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden. En gebruikt bij uw bidden geen omhaal van woorden, zoals de heidenen; want zij menen door hun veelheid van woorden verhoord te zullen worden. Wordt hun dan niet gelijk, want G’d uw Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt. Bidt gij dan aldus: Onze Vader die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd; uw Koninkrijk kome; uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde. Geef ons heden ons dagelijks brood; en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren; en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Want van U is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen. Want indien gij de mensen hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; maar indien gij de mensen niet vergeeft, zal ook uw Vader uw overtredingen niet vergeven!” (vhyttm Matityahu [Mattheüs] 6:5-15). Om te beginnen keurt Yeshua het bidden vanuit verkeerde motieven af. In het antwoord van Yeshua op de vraag om hen te leren bidden vinden wij de twee bijbelse grondprincipes voor het gebed terug, die de Hebreeuwse namen hnvvk Kavana en ibq Qeva dragen respectievelijk het gebed van expressie en het gebed van empathie, ofwel het 'vrije gebed' en het 'formuliergebed'. In mijn tweedelige studie over het bidden gaf ik reeds aan dat Kavana zoveel als “gerichtheid des harten” ofwel “spontaniteit” betekent en een benaming is voor het vrije, persoonlijke gebed, dat niet op schrift gesteld is en nederig, meestal knielend, in de stilte van de binnenkamer bij de Eeuwige wordt gebracht. Qeva daarentegen betekent “het vastgelegde” en is een benaming voor het op schrift gestelde formuliergebed, dat staande wordt uitgesproken in de samenkomst. Het ,ym>b> vnyba Avinu shebaShamayim [Onze Vader] is daar een prachtig voorbeeld van. Een groot gedeelte van het Onze Vader loopt trouwens bijna parallel met het tyrx> Shacharit, het Joodse Ochtendgebed (m.Ber.9:1; b.Ber. 60b), en dan met name in het hr>i9hnvm> Sh’mone-Esre [Achttiengebed] en in het >ydq Kaddisch. De meeste onderdelen van het ‘Onze Vader’ zijn nauw verbonden met deze belangrijke Joodse gebeden die de eeuwen hebben doorstaan. Zo wordt daarin bijvoorbeeld de naam van G’d geheiligd en geprezen, is er een verzoek tot de komst van Zijn koninkrijk en dat Zijn wil geschiede. Een formuliergebed is in elk geval geen minderwaardig gebed voor G’d zoals in evangelische kringen vaak beweerd wordt, onthoud dat heel goed! G’d veroordeelt de vaste formuleringen niet, want anders zou Yeshua ons zeker niet het ‘Onze Vader’ geleerd hebben. Laat u dat dus ook echt niet wijswaken! Yeshua’s manier van bidden was immers op een Joodse wijze. Het is overigens opmerkelijk dat de zes beden van het ‘Onze Vader’ bijna allen voorkomen in het gebed van koning Sh’lomo [Salomo] toen hij de Tempel inwijdde. Wij vinden dit gebed a ,yklm M’lachim alef [1 Koningen] 8:23-53 en b ,ymyh yrbd Div’rei haYamim bet [2 Kronieken] 6:4-42. Deze gaan we nu uiteraard met elkaar vergelijken, maar daarnaast zullen we tevens de overeenkomsten tussen het Avinu shebaShamayim [Onze Vader] en de dagelijkse Joodse formuliergebeden nader bestuderen. Daarvoor gaan het gebed dat Yeshua ons geleerd heeft vers voor vers en bede voor bede apart onderzoeken.
Aanhef: ,ym>b> vnyba
Avinu shebaShamayim,
Onze
Vader, die in de hemelen zijt,
Deze openingswoorden “Onze Vader die in de hemelen zijt”, ofwel in het Hebreeuws “Avinu shebaShamayim”, zijn onderdeel van veel Joodse gebeden. De aanhef 'Onze Vader' komt voor in de vijfde bede van het Achttiengebed: !tdvbil vnklm vnbrqv !trvtl vnyba vnby>h Hashivenu Avinu, l’toratecha v’qar’venu Mal’kenu la’avodatecha [Laat ons, onze Vader, terug keren naar Uw Tora en breng ons, onze Koning, dichter bij Uw dienst!]. Ook de vergelijkbare aanhef ‘Onze Vader, onze Koning’, in het Hebreeuws vnyklm vnyba ‘Avinu Malkeinu’ is een gebruikelijke aanspreektitel in Joodse gebeden, die zich daarmee duidelijk onderscheiden van christelijke gebeden die doorgaans één op één gericht zijn. De Joodse formuliergebeden in de samenkomst van de gemeente zijn namelijk gemeenschappelijke gebeden en geen persoonlijke gebeden. Daarom staat een gebed in de Joodse traditie ook meestal in de meervoudsvorm. Hoewel bidden een persoonlijke zaak is staan de Joodse formuliergebeden over het algemeen in de eerste persoon meervoud, want de biddende gelovige heeft het steeds over 'wij' en 'ons'. Daarom verbindt in de joodse traditie het gebed de enkeling met de gemeenschap en verbindt het gebed de gemeenschap met de enkeling. Kenmerkend is daarom ook de wij-vorm die gebruikt wordt door Yeshua, die ons geleerd heeft te bidden: “Onze Vader”, en niet “Mijn Vader”. Door op deze wijze met en voor elkaar te bidden dienen wij niet alleen de Eeuwige, maar ook elkaar. De Joodse bidder staat niet alleen voor G’d; hij staat voor Hem als lid van de gemeenschap. Onze relatie tot Hem is niet als een Ik tot een Gij, maar als een Wij tot een Gij. We bidden nooit als individuen die los staan van de rest van de wereld. Maar toch mogen we nooit vergeten, dat gebed in de eerste plaats een gebeurtenis is in de ziel van de enkeling, iets dat uit hem uitstraalt en niet alleen iets waaraan hij deelneemt. Ja, de waarde van het gemeenschapsgebed hangt af van de diepte van het individuele gebed, van het individuele gebed van hen die samen bidden. We leren in de Talmud (]y>vdyq Qidushin 40b), dat het lot van de gehele mensheid afhangt van het gedrag en dus ook van het gebed van één enkele individu, dus van u en ook van mij. De toevoeging in de aanhef ‘Onze Vader’, namelijk: “Die in de hemelen zijt”, komt in het Achttiengebed niet voor, maar wel in Tefilat Shacharit [het Joodse Ochtendgebed] in de orthodoxe Sidur op bladzijde 9: “Onze Vader die in de hemel is, bewijs ons liefde ter wille van Uw grote naam” en ook de Portugese Joden zeggen in hun dagelijkse gebeden: “Onze Vader, die in de hemelen zijt, zijt ons genadig.” Moshe Ben Maimon, beter bekend als Maimonides, heeft geschreven: “Onze Vader, die in de hemelen zijt, handel alzo met ons, als Gij door Uw profeten beloofd hebt!” Sh’lomo [Salomo] zegt in zijn gebed toen hij de Tempel inwijdde: “Eeuwige, G’d van Israël, er is in de hemel boven en op de aarde beneden geen G’d als Gij!” (1 Kon 8:23, 2 Kr 6:14) en: “Luister dan vanuit de hemel, Uw woonplaats, naar hun gebed!” (1 Kon 8:49, 2 Kr 6:35). De hemel is Zijn woonplaats. Daarom bidden wij: “Onze Vader, die in de hemelen zijt!”
Eerste
bede: ;m> >dqty
Yit’qadesh Shim’cha.
Uw
Naam worde geheiligd.
Deze eerste bede van het gebed dat Yeshua ons geleerd heeft komt voor in de derde bede van het Achttiengebed: !vllhy ,vy9lkb ,y>vdqv >vdq !m>v >vdq hta Ata qadosh v’Shimcha qadosh uQ’doshim b’chol-yom y’halelucha! [U bent heilig en Uw naam is heilig, en heiligen prijzen U elke dag!]. Wij vinden deze bede ook bijna letterlijk terug in het Kaddisch-gebed: htvirk arb=yd amlib abr hm> >dqtyv ldgty Yit’gadal v’yit’qadash sh’me raba, b’al’ma di-v’ra chirute [Verheerlijkt en geheiligd zij de Naam van de Hoogverhevene in de wereld die Hij naar Zijn welbehagen heeft geschapen!] ofwel in de liberale Sidur op bladzijde 117: “Verheven en geheiligd worde Zijn grote Naam in de wereld die Hij schiep naar Zijn wil!” De Eeuwige zei over Sh’lomo [Salomo]: “Hij zal een huis bouwen ter ere van Mijn Naam!” (1 Kon 8:19, 2 Kr 6:9), wat hij daadwerkelijk deed: “En nu heb ik voor de Naam van de Eeuwige, de G’d van Israël, een huis gebouwd!” (1 Kon 8:20, 2 Kr 6:10). De Eeuwige gaf de belofte: “Mijn Naam zal daar wonen!” (1 Kon 8:29, 2 Kr 6:20). Wat een heerlijke belofte! “Dan zullen alle volken op aarde Uw naam leren kennen en ontzag voor U tonen, zoals Uw volk Israël dat doet!” (1 Kon 8:43, 2 Kr 6:33). Daarom bidden wij in het ‘Onze Vader’: “Uw Naam worde geheiligd!”
Tweede
bede: ;tvklm abt
Tavo Mal’chutecha.
Uw
Koninkrijk kome.
G’ds koningschap wordt in de aanhef van talrijke B’rachot [zegenspreuken] geproclameerd: ,lvih !lm vnyhla yy hta !vrb Baruch Ata Adonai, Eloheinu,
Melech haOlam [Gezegend zijt
Gij, Eeuwige onze G’d, Koning van het heelal]. De Eeuwige is de Koning van het
heelal, en het is dan ook ons groot verlangen dat Zijn Koningschap ook in ons
eigen leven en in onze eigen omgeving zichtbaar wordt en dat Hij niet alleen
over de hemelse gewesten, maar ook over de aarde en ons land zal regeren,
hetgeen in het Kaddisch-gebed duidelijk naar voren komt: byrq ]mzkv algib
lar>y tyb lkd yyxbv ]vkymvybv ]vkyyb htvklm ;ylmyv v’yam’lich mal’chute, b’chaiyechon uv’yomeichon, uv’chaiye
d’chol beit Yisra’el, be’agala uviz’man qariv [Dat Hij Zijn Koninkrijk
moge vestigen gedurende uw levensdagen en die van het gehele huis Israël,
spoedig en binnen een zeer korte tijd!] ofwel in de liberale Sidur op bladzijde 117: “Moge Hij Zijn Koninkrijk vestigen
in uw dagen en tijdens uw leven en nog in deze generatie van Israël, spoedig en
in de nabije toekomst!” - Het verlangen naar de komst van G’ds Koninkrijk
komt sterk naar voren in de elfde bede van
het Achttiengebed: “Regeer over ons,
Eeuwige, U alleen!” Daarom bidden wij ook in het ‘Onze Vader’: “Uw Koninkrijk kome!”
Derde bede: /rab ]k ,ym>b vmk !nvjr h>iy
Ye’ase r’tzon’cha,
k’mo vaShamayim ken baAretz.
Uw wil geschiede, gelijk in de
hemel alzo ook op de aarde.
Het zal u waarschijnlijk verbazen, maar deze complete zin komen wij
letterlijk in de rabbijnse literatuur tegen, want Rabbi
Eliezer zegt: “Op de vraag hoe een kort gebed moet luiden, moet u
antwoorden: Uw wil geschiede, o G’d, in
de hemel alsook op de aarde.” (Tosef’ta
B’rachot III). Om G’ds wil te laten geschieden is het echter noodzakelijk
om Zijn wil ook te kennen. Deze voorwaarde voor de derde bede van het ‘Onze
Vader’ vinden wij terug in de vierde zegenbede in het Sh’mone-Esre:
“U begenadigt de mens met kennis en leert
de sterveling wijsheid!”' Kennis en wijsheid betekenen in deze bede dus
inzicht in de Tora en de wil van Adonai. De wil en het oprechte verlangen om zich ook
daadwerkelijk daarnaar uit te strekken zien wij in de daaropvolgende vijfde
zegenbede: !trvtl vnyba vnby>h Hashivenu Avinu,
l’Toratecha [Laat ons, onze Vader, terugkeren naar Uw Tora!]. Het zou dus erg halfslachtig zijn om
enerzijds te bidden: “Uw wil geschiede”,
maar anderzijds te verkondigen dat wij vrij zouden zijn van de Wet en dat wij de
Tora en dus G’ds wil niet meer zouden hoeven na
te leven. Hier ontbreekt elke logica, en toch is dit precies wat er in het
christendom helaas al sinds mensen heugen zondag voor zondag gedaan wordt. Dus
nogmaals: Om G’ds wil te laten geschieden is het absoluut noodzakelijk om Zijn
wil niet alleen te kennen, maar ook uit te voeren. Daarom wil ik u van harte
aanbevelen om naast deze derde bede uit het ‘Onze Vader’ ook de vijfde bede uit
het Achttiengebed vanuit een oprechte en gehoorzame hartsgesteldheid te bidden
en niet alleen vanuit de traditie. Sh’lomo
[Salomo] bad: “Wijs hun de goede weg
waarop zij moeten wandelen. Dan zullen ze in het land dat u aan hun voorouders
hebt gegeven hun leven lang ontzag voor u tonen!” (1 Kon 8:36 en 40, 2 Kr
6:27 en 31). Daarom bidden wij ook in het ‘Onze Vader’: “Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde!”
Vierde bede: ,vyh vnl ]t vnqx ,xl ta
Et lechem chuqenu
ten lanu haYom,
Geef ons heden ons dagelijks brood,
Ook deze vierde bede vinden wij
zowel in het Joodse gebedenboek alsook in de rabbijnse literatuur terug: “Rijkdom noch armoede geef mij, geef mij,
G’d, mijn dagelijks brood!” (Spreuken 30:8, Inleiding van D. Hausdorff in
de Sidur van Dasberg). - “Het zij Uw welbehagen dat Gij
aan een ieder geeft zoveel als
tot zijn voedsel genoeg is!” (Tosef’ta
B’rachot III). In de negende bede van het Achttiengebed smeken wij de
Eeuwige om een goede oogst, en dat komt op hetzelfde neer als het bidden om het
dagelijks brood: “Zegen voor ons, Eeuwige
onze G’d, dit jaar en laat alles wat het opbrengt ons ten goede komen!” Een
vast onderdeel van het tyrx> Shacharit [ochtendgebed]
is ,ylht Tehilim [Psalmen] 136, en in vers 25 lezen wij de
volgende worden: r>b lkl ,xl ]tn Noten lechem l’chol basar [Hij geeft brood aan al
wat leeft!]. Precies dezelfde woorden r>b lkl ,xl ]tn avh Hu noten lechem l’chol basar komen wij ook tegen in
de ]vzmh
tkrb Bir’kat haMazon [het tafelgebed], waarin overigens
niet de maaltijd, maar de gever van het voedsel gezegend wordt: “Gezegend zijt gij, Eeuwige, onze G’d, Koning
van het heelal, die de hele wereld door Uw goedheid, welwillendheid en
ontfermende liefde van voedsel voorziet. U geeft aan ieder wezen voedsel, want
onbeperkt is Uw liefde! Door Uw grote goedheid hebben wij nooit gebrek geleden;
moge er voor ons nooit en te nimmer gebrek aan voedsel zijn, omwille van Uw
grote Naam! Gij zijt het immers die allen voedsel en levensonderhoud verschaft,
die allen goed doet en voor al Uw schepselen die U geschapen hebt, de voeding
verzorgt! Gezegend zijt Gij, Eeuwige, die allen van voedsel voorziet!”
In dit tafelgebed geven wij lof en dank aan de Eeuwige, dat Hij ons en de hele
wereld van voedsel voorziet, en ook de bede dat Hij dat zal blijven doen. Dit
gebed is lofzegging, bede en dankzegging tegelijk, maar het is ook een opdracht
voor ons. De Eeuwige geeft aan ieder wezen voedsel, want onbeperkt is Zijn
liefde, maar wij moeten ervoor zorgen dat dit ook echt waar is. Het is onze
opdracht om zichtbaar te maken, dat G’d inderdaad voor de hele wereld voedsel
bereidt. Wie dus aan tafel bidt: “Gezegend zijt Gij, Eeuwige, onze G’d, Koning
van het heelal, die de hele wereld door Uw goedheid, welwillendheid en
ontfermende liefde van voedsel voorziet”, dankt daarmee niet slechts voor zijn eigen deel van het
dagelijks brood, maar hoort tegelijk de opdracht om het brood te delen met
anderen. Het ‘Onze Vader’ leert ons dat we zelfs in de 21e eeuw afhankelijk
zijn van G’d, maar ook van elkaar. Sh’lomo
[Salomo] bad: “Geef regen op het land,
dat Gij Uw volk ten erfdeel geschonken hebt!” (1 Kon 8:36, 2 Kr 6:27).
Daarom bidden wij in het ‘Onze Vader’: “Geef
ons heden ons dagelijks brood!”
Vijfde bede: vnybyxl vnxna ,g vnxlc r>ak vnytvbx ta vnl xlcv
us’lach lanu et
chovoteinu ka’asher salach’nu gam anach’nu l’chayaveinu.
en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.
Het eerste gedeelte van deze
vijfde bede is gelijk aan de zesde bede van het Sh’mone-Esre:
“Vergeef ons, onze Vader, want wij hebben
gezondigd, schenk ons vergiffenis, onze Koning, want we hebben overtredingen
begaan, want U schenkt vergiffenis en bent vergevingsgezind. Geprezen zijt Gij,
Eeuwige, die genadig is en veel vergeeft!” Sh’lomo
[Salomo] bad: “Luister dan vanuit de
hemel, vergeef de zonden van uw dienaren en van uw volk Israël” (1 Kon
8:36, 2 Kr 6:27). “Vergeef uw volk
hetgeen waarin zij tegen U gezondigd hebben, en al hun overtredingen die zij
tegen U begaan hebben!” (1 Kon 8:50, 2 Kr 6:39). Er bestaat echter in de Bijbelse
gebedspraktijk een onlosmakelijk verband tussen gebed en gebod. Wat in het
gebed van G’d gevraagd wordt, is tegelijk een opdracht aan de mens. Dat wordt
ook duidelijk naar voren gebracht in de laatste twee verzen van vhyttm Matityahu [Mattheüs] hoofdstuk 6, die wij bij het
begin van deze studie gelezen hebben, waarin Yeshua ons leerde om te bidden. Nadat Hij het ‘Onze
Vader’ had uitgesproken vond Yeshua
het uitermate belangrijk om in de verzen 14 en 15 de vijfde bede: “En
vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren” nog
extra aan te scherpen door de toevoeging: “Want indien gij de mensen hun
overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; maar indien gij de
mensen niet vergeeft, zal ook uw Vader uw overtredingen niet vergeven!” In
Marcus 11:25 zegt Yeshua
hetzelfde: “En wanneer gij staat te bidden, vergeeft wat gij tegen iemand
mocht hebben, opdat ook uw Vader in de hemelen uw overtredingen vergeve. Indien
gij echter niet vergeeft, zal ook uw Vader, die in de hemelen is, uw
overtredingen niet vergeven!” Het is dus duidelijk een wisselwerking die
van grote invloed is op de gebedsverhoring, waarvan velen zich helaas niet of
slechts ontoereikend bewust zijn. In de Talmud lezen wij hierover het volgende: “Overtredingen tussen mens en G’d verzoent Yom Kipur [de
Grote Verzoendag] in geval van passend berouw, maar overtredingen tussen mens
en mens worden daarop niet verzoend, tenzij de schuldige zijn naaste eerst
milder gestemd heeft!” (amvy Yoma VIII, 9). Dat laatste valt beslist niet mee. Ik denk
dat we het allemaal wel eens hebben ondervonden hoe moeilijk het is om je eigen
trots in te slikken en iemand nederig om vergeving te vragen die men iets heeft
aangedaan, maar juist dat is de voorwaarde om vergeving te kunnen ontvangen.
Men moet de moed hebben om berouw te tonen en te zeggen dat het je spijt, want
uit deze houding moet blijken of de vergeving en verzoening ook serieus wordt
nagestreefd. En pas als er ook daadwerkelijk vergeving wordt geschonken heeft
de ander het recht om op zijn beurt de Eeuwige om vergeving te vragen voor zijn
eigen zonden, fouten en tekortkomingen, anders niet. Dit belangrijke aspect van
de Joodse leer betreffende de Grote Verzoendag komen wij ook tegen in één van
de zogenaamde apocriefe boeken: “Wie
wraak neemt zal de wraak van de Eeuwige ondervinden, de Eeuwige zal zijn zonden
niet vergeten! Vergeef je naaste het onrecht dat hij deed, dan worden, als je
bidt, ook jou je zonden vergeven. Hoe kan een mens die woede koestert tegen een
ander bij de Eeuwige om verzoening vragen? Hoe kan een mens die geen erbarmen
heeft met een ander om vergeving voor zijn eigen zonden bidden? Je bent maar
een mens: als je in je woede volhardt, wie zal dan je zonden vergeven? Denk aan
het einde en wees niet langer vijandig, denk aan je dood en vergankelijkheid,
en houd je aan de geboden. Denk aan de geboden en koester geen wrok tegen je
naaste, denk aan het verbond met de Allerhoogste en zie fouten door de
vingers.” (aryc tmkvx Choch’mat Sira [Wijsheid van Sirach] 28:1-7). Yeshua zegt: “Wees
barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is. Oordeel niet, dan zal er niet over
je geoordeeld worden. Veroordeel niet, dan zul je niet veroordeeld worden.
Vergeef, dan zal je vergeven worden. - Want de maat die je voor anderen
gebruikt, zal ook voor jullie worden gebruikt!” (Lucas 6:36, 37 en 38b). Daarom
bidden wij in het ‘Onze Vader’: “…en
vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren!”
Zesde bede: irh ]m vnjlx ,a yk ]vycn ydyl vnaybt lav
V’al tevi’enu
lidei nisayon, ki im-chal’tzenu min hara.
En
leidt ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.
De zinsnede ]vycn ydyl vnaybt
lav V’al tevi’enu lidei nisayon betekent inderdaad
letterlijk "En leid ons niet in
verzoeking". Maar waarom zou G'd ons in verzoeking leiden? Wel, dat
doet Hij ook niet! Lees maar Jacobus 1:13-14. Daar staat duidelijk: “Laat niemand, als hij verzocht wordt,
zeggen: Ik word van G’dswege verzocht. Want G’d kan door het kwade niet
verzocht worden en Hijzelf brengt ook niemand in verzoeking!” Ziet u? Onze
hemelse Vader leidt ons niet verzoeking! Echt niet! Jacobus gaat hier in vers
15 verder: “Maar zo vaak iemand verzocht
wordt, komt dit voort uit de zuiging en verlokking zijner eigen begeerte!”
Met andere woorden: Als iemand in verzoeking gebracht wordt, dan is het altijd
zijn eigen begeerte die hem lokt en meetrekt. Maar als dat zo is, waarom bidden
wij dan: "En leid ons niet in
verzoeking"? Waar slaat dat dan op? Wel, zoals ik reeds diverse keren
heb benadrukt is het ‘Onze Vader’ een Joods gebed en deze zesde bede in vhyttm Matityahu [Mattheüs] 6:13 is een Hebreeuws idioom
waarin een actief werkwoord wordt gebruikt om daarmee uit te drukken dat het
hierbij niet gaat om het daadwerkelijk doen van iets, maar om het toelaten
daarvan. Een goed voorbeeld vinden we in vhymry Yir’m’yahu [Jeremia] 4:10. Daar staat: "Adonai,
de mensen in Jeruzalem hebt U bedrogen!" (GNB) ofwel: “Mijn G’d, U hebt Jeruzalem en dit volk
misleid!” (NBV), waarmee dus niet
bedoeld wordt dat de Eeuwige het volk daadwerkelijk bedrogen c.q. misleid
heeft, maar dat Hij het toeliet dat dit gebeurde. Een ander voorbeeld vinden
wij in tvm> Sh’mot
[Exodus] 4:21, waarin de Eeuwige tegen Moshe
over de Farao zegt: "Maar Ik zal zijn hart verharden, zodat hij het volk niet zal
laten gaan!" (NBG) ofwel: “Ik
zal hem dan halsstarrig maken, zodat hij het volk niet laat gaan!”. Als men
dit zo letterlijk zou opvatten dan zou dit betekenen dat de Farao in principe vrij uit gaat, want het is dan niet
zijn schuld dat de Eeuwige hem halsstarrig gemaakt c.q. zijn hart verhard heeft.
Maar zo wordt het niet bedoeld. Ook in dit geval liet de Eeuwige het gewoon toe
dat de Farao zo onverzettelijk bleef, maar Hij
heeft hem niet zelf halsstarrig gemaakt. Wij moeten dus de passage in Mt. 6:13
als een Hebreeuws idioom zien en het op de manier begrijpen zoals in de
geciteerde voorbeelden. Daarom bidden wij in het ‘Onze Vader’: “En leidt ons niet in verzoeking, maar
verlos ons van de boze!”
Lofzegging: ]ma ,ymlvi ,lvil
trapthv hrvbghv hklmmh !l yk
Ki l’cha
haMam’lacha v’haG’vura v’haTif’eret l’ol’mei olamim. Amen!
Want
van U is het Koninkrijk en de kracht, en de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Amen.
Het ‘Onze Vader’ eindigt met een
lofprijzing. Hoewel deze slotbede niet letterlijk in het Sh’mone-Esre [Achttiengebed] staat, komen we de
strekking ervan wel elders in de Joodse literatuur tegen. In het evangelie van
Lucas ontbreekt deze lofzegging, maar betekent dit dan, dat Yeshua deze woorden oorspronkelijk niet heeft gesproken,
maar later zijn toegevoegd? Ik denk van niet! Elk Joods gebed wordt immers
afgesloten met een lofprijzing en Yeshua zal
dit zeer zeker ook gedaan hebben. De slotbede van het ‘Onze Vader’ lijkt
overigens een verkorte versie te zijn van de lofzegging in a ,ymyh yrbd Div’rei haYamim alef [1
Kronieken] 29:10-11, want daarin komen we weliswaar in andere volgorde toch wel
dezelfde Hebreeuwse woorden tegen: hrvbghv hldgh hvhy !l .,lvi9div ,lvim vnyba
lar>y yhvla hvhy hta !vrb .>arl lkl a>ntmhv hklmmh hvhy !l /rabv ,ym>b
lk9yk dvhhv xjnhv trapthv Baruch Ata Adonai, Elohei Yis’ra’el avinu, me’olam v’ad olam! L’cha Adonai haG’dula v’haG’vura v’haTif’eret v’haNetzach
v’haHod ki kol baShamayim uvaAretz l’cha
Adonai haMam’lacha v’haMit’nase
l’chol l’rosh! [Geprezen zijt Gij, Eeuwige, G’d van onze vader Israël,
van eeuwigheid tot eeuwigheid! Van U,
Adonai, is
de grootheid en de kracht, de heerlijkheid, de roem en de majesteit, ja, alles
wat in de hemel en op de aarde is; van U is de heerschappij, Adonai, en Gij zijt als hoofd boven alles verheven!].
De lofprijzing in de Tefilat haAdon [het Gebed des Heren] is dus zoals gezegd de
verkorte weergave van het gebed dat David uitsprak voor de zalving van zijn zoon Sh’lomo [Salomo] tot koning. Ook in B’rit haChadasha [het Nieuwe Testament], dat door
Joden geschreven is, komen wij deze typisch Joodse lofprijs geregeld tegen: “Opdat in alles G’d verheerlijkt worde door Yeshua haMashiach, aan wie de heerlijkheid is en de
kracht, in alle eeuwigheid. Amen!” (1 Petrus 4:11). “Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen!” (1
Petrus 5:11). “Hem nu … zij door Yeshua haMashiach Adoneinu heerlijkheid, majesteit,
kracht en macht vóór alle eeuwigheid, èn nu èn in alle eeuwigheden. Amen!”
(hdvhy
Yehuda [Judas] 1:25). “Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen!” (]vyzx Chizayon [Openbaring] 1:6). “Het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de macht en de
rijkdom, en de wijsheid en de sterkte, en de eer en de heerlijkheid en de lof.
En alle schepsel in de hemel en op de aarde en onder de aarde en op de zee en
alles wat daarin is, hoorde ik zeggen: Hem, die op de troon gezeten is, en het
Lam zij de lof en de eer en de heerlijkheid en de kracht tot in alle
eeuwigheden!” (]vyzx Chizayon [Openbaring] 5:12
en 13). Daarom bidden wij ook in het ‘Onze Vader’: “Want van U is het Koninkrijk en de kracht, en de heerlijkheid tot in eeuwigheid.
Amen!”
Conclusie
Het ‘Onze Vader’ is dus geen typisch christelijk gebed zoals vaak wordt aangenomen, maar in de stijl en woordkeuze juist typisch Joods! Het was ook geen nieuw gebed dat Yeshua aan Zijn discipelen heeft geleerd, maar een compacte samenvatting van het bestaande ochtendgebed dat elke Jood kent. Helaas bestaan er in de christelijke kerken met betrekking tot het ‘Onze Vader’ veel verkeerde opvattingen door onwetendheid over de ware achtergrond van dit gebed. Vooral door de aanhef ‘Onze Vader’ ziet men het als een typisch christelijk gebed omdat men ervan uitgaat dat de Joden de Eeuwige niet als Vader zouden kennen, maar als een strenge, en straffende G’d. Men gaat ervan uit, dat de discipelen de eerste Joden geweest zouden zijn, die geleerd zou hebben dat zij hun Schepper heel vertrouwelijk ‘Abba’, dus ‘Vader’ mogen noemen. In deze Bijbelstudie heb ik aangetoond, dat dit een misvatting is. Het zou juist heel onlogisch zijn dat Zijn eigen kinderen hem niet als Vader zouden kennen, maar de aangenomen kinderen wel. Nee, Yeshua heeft ons geen nieuw gebed geleerd, maar Hij heeft gebruik gemaakt van de traditionele Joodse formuleringen, die al bekend waren, net zoals Hij ook in andere onderdelen van de bergrede geen nieuwe dingen heeft verkondigd, maar de reeds bestaande geboden en inzettingen uit de Tora nader heeft toegelicht en ons heeft uitgelegd hoe wij ze praktisch kunnen toepassen in ons eigen persoonlijk leven. In dat licht moeten wij dus ook het ‘Onze Vader’ zien en dat maakt ons duidelijk dat Yeshua voluit Jood was en in de Joodse traditie stond, waar velen helaas niet bij stilstaan. In welke taal heeft Yeshua Zijn discipelen dit gebed eigenlijk geleerd? De oudste teksten van het ‘Onze Vader’ die bewaard zijn gebleven, zijn weliswaar in het Koinè-Grieks, maar volgens Eusebius van Caesarea zou het Mattheüs-evangelie, en dus ook het ‘Onze Vader’, oorspronkelijk in het Aramees zijn geschreven. Origenes schreef echter in zijn commentaar, dat Mattheüs zijn evangelie voor Joodse lezers in het Hebreeuws zou hebben geschreven en in de vierde eeuw berichtte Hieronymus: “Mattheus, die ook Levi is, en die van belastinginner apostel werd, stelde allereerst in Judea een evangelie van Christus op in de Hebreeuwse taal… Wie het daarna in het Grieks heeft vertaald, staat niet voldoende vast. Bovendien is de Hebreeuwse tekst zelf tot op de huidige dag in de bibliotheek te Caesarea bewaard gebleven.” Hieronymus getuigde dus dat de Griekse tekst slechts een vertaling was en de originele tekst Hebreeuws. Toch blijft het ook aannemelijk dat de Aramese tekst van het ‘Onze Vader’ de oorspronkelijke versie is gezien het feit dat de bergrede niet in Judea, maar in Galilea heeft plaats gevonden en Yeshua de menigte dus in het Aramees heeft toegesproken. Ook het Kaddisch wordt immers in het Aramees gezegd. In elk geval zien wij dat het ‘Onze Vader’ ofwel de ]vdah tlypt Tefilat haAdon een Joods gebed is, een gebed naar Zijn wil. Ik wens u veel zegen toe voor het uitspreken van dit gebed en dat het een belangrijk deel mag uitmaken van onze dagelijkse contact met de Eeuwige, b’Shem Yeshua M’shicheinu, Amen!
Werner Stauder
)ym$bd }wb)
,ym>b> vnyba
Avun d’vaSh’maya
Avinu shebaShamayim
Onze Vader, die in de hemelen zijt
Aramees: Hebreeuws:
|
)ym$bd }wb) Avun d’vaSh’maya, |
,ym>b> vnyba Avinu shebaShamayim, |
Onze Vader, die in de hemelen zijt,
|
km$ $dqtn nit’qadash Sh’mach. |
.;m> >dqty yit’qadesh Shim’cha. |
Uw Naam worde geheiligd.
|
ktwklm yt)t Tetei Mal’kutach. |
.;tvklm abt Tavo Mal’chutecha. |
Uw Koninkrijk kome.
|
knybc )whn )ym$bd )nky) )(r)b p( Neh’ve tzev’yanach, aikena d’vaSh’maya ap b’Ara’a. |
!nvjr h>iy ,ym>b vmk ./rab ]k Ye’ase r’tzon’cha, k’mo vaShamayim ken baAretz. |
Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo
ook op de aarde.
|
)mxl }l bh )nmwy }nqnwsd Hav lan lach’ma d’son’qanan yomana |
vnqx ,xl ta ,vyh vnl ]t Et lechem chuqenu ten lanu haYom |
Geef ons heden ons dagelijks brood
|
}ybx }l qvw$w }nx p)d
)nky)
}ybyxl }qb$ vash’voq lan chovein aikena d’ap ch’nan sh’voqan
l’chayavein. |
vnytvbx ta vnl xlcv vnxlc r>ak
.vnybyxl vnxna ,g us’lach lanu et chovoteinu ka’asher salach’nu gam anach’nu l’chayaveinu. |
en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij
vergeven onze schuldenaren.
|
)nwysnl }l(t )lw )$yb }m }cp )l) V’la ta’lan
l’nis’yona, ela patzan min
bisha. |
]vycn ydyl vnaybt lav .irh ]m vnjlx ,a yk V’al tevi’enu lidei nisayon, ki im-chal’tzenu min hara. |
En leidt ons niet in verzoeking, maar
verlos ons van de boze.
|
)twklm ykld lwtm )tkwb$ytw )lyhw .}m) }yml( ml(l Mitol
dilachi Mal’kuta u’chaila
u’tish’boch’ta l’alam al’min,
amen. |
hklmmh !l yk trapthv hrvbghv .]ma ,ymlvi ymlvil Ki l’cha haMam’lacha v’haG’vura v’haTif’eret l’ol’mei olamim, amen. |
Want van U is het Koninkrijk en de kracht,
en de heerlijkheid tot in eeuwigheid, amen.