068. Bijbelstudie over het
WEKENFEEST - PINKSTEREN - SHAVUOT
tvivb>h9gx
Deze bijbelstudie gaat over het Wekenfeest, tvivb> Shavuot, dat
oorspronkelijk een boerenfeest was, maar dat bij de christenen onder de naam
Pinksteren (afgeleid van het Griekse woord penthkosth pentēkostē) slechts bekend is vanwege de
uitstorting van de Heilige Geest. Maar het was op de eerste plaats een ryjqh gx Chag haQatzir, een oogstfeest, want
vol vreugde bracht het volk Israël de eerstelingen als dank aan de Eeuwige voor
de rijke opbrengst van de oogst. Daarom wordt het ook evenals de eerste zondag
van de week der ongezuurde broden ‘Dag van de eerstelingen’ genoemd: ,yrvkbh ,vy Yom haBikurim. Over de eerstelingen van de gersteoogst
(Pesach), de eerstelingen van de tarweoogst (Shavuot) en de eerstelingen van de mensenoogst (Pinksteren)
lezen wij in de Heilige Schriften het volgende: “Dit zijn de feesttijden van
de Eeuwige, heilige samenkomsten, die gij uitroepen zult op de daarvoor
bepaalde tijd: in de eerste maand (Nisan), op de veertiende der maand, in de avondschemering, is het Pesach voor de Eeuwige. En op de vijftiende
dag van deze maand is het Chag haMatzot [feest der ongezuurde broden] voor de Eeuwige, zeven dagen zult gij
ongezuurde broden eten. Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: Wanneer gij
komt in het land dat Ik u geef, en de oogst daarvan binnenhaalt, dan zult gij
de eerstelingsgarve van uw oogst naar de priester brengen, en hij zal de
garve voor het aangezicht van de Eeuwige bewegen, opdat
gij welgevallig zijt; daags na de Shabat zal de priester die
bewegen. Dan zult gij tellen van de dag na de Shabat, van de dag waarop
gij de garve van het beweegoffer gebracht hebt: zeven volle weken
zullen het zijn; tot de dag na de zevende Shabat zult gij tellen,
vijftig dagen; dan zult gij een nieuw spijsoffer de Eeuwige brengen. Uit uw
woonplaatsen zult gij twee beweegbroden meebrengen; uit twee
tienden efa fijn meel zullen zij bereid worden, gezuurd zullen zij gebakken
worden, eerstelingen voor de Eeuwige. Bij het brood zult gij
zeven gave eenjarige schapen offeren en een jonge stier en twee rammen; zij
zullen een brandoffer voor de Eeuwige zijn, met de bijbehorende spijsoffers en
plengoffers, een vuuroffer tot een liefelijke reuk voor de Eeuwige. Dan zult
gij een geitebok ten zondoffer, en twee eenjarige schapen ten vredeoffer
bereiden. En de priester zal ze bewegen, bij het brood der eerstelingen,
als beweegoffer voor het aangezicht van de Eeuwige bij de twee schapen:
zij zullen de Eeuwige heilig zijn, zij zijn voor de priester. Op deze zelfde
dag zult gij een oproep doen uitgaan, gij zult een
heilige samenkomst hebben, generlei slaafse arbeid zult gij verrichten; het
is een altoos durende inzetting, in al uw woonplaatsen, voor uw geslachten.
Wanneer gij de oogst van uw land binnenhaalt, dan zult gij de rand van
uw veld bij uw oogst niet geheel afmaaien, en wat van uw oogst is blijven
liggen, zult gij niet oplezen; dat zult gij voor de arme en de vreemdeling
laten liggen: Ik ben de Eeuwige, uw G’d” (arqyv Vayiq’ra
[Leviticus] 23:4-6, 10-11 en 15-22). “En op Yom
haBiqurim [de dag
der eerstelingen], wanneer gij een nieuw spijsoffer de Eeuwige
brengen zult, op uw Chag Shavuot
[feest der weken], zult gij een heilige samenkomst hebben, gij zult generlei
slaafse arbeid verrichten.” (rbdmb Bamid’bar [Numeri]
28:26). “Zeven weken zult gij tellen: van dat de sikkel voor het
eerst in het staande koren geslagen wordt, zult gij zeven weken beginnen
te tellen. Dan zult gij Chag Shavuot
[het feest der weken] vieren ter ere van de Eeuwige, uw G’d, naar de mate van
de gaven, die gij vrijwillig geven zult, naar dat de Eeuwige, uw G’d, u
gezegend heeft; gij zult u verheugen voor het aangezicht van de Eeuwige, uw
G’d, gij met uw zoon en uw dochter, uw dienstknecht en uw dienstmaagd, met de
Leviet, die binnen uw poorten woont, en met de vreemdeling, de wees en de
weduwe, die in uw midden zijn, op de plaats die de Eeuwige, uw G’d, verkiezen
zal om Zijn Naam daar te doen wonen. Gij zult gedenken, dat gij een
dienstknecht geweest zijt in Egypte en gij zult deze inzettingen naarstig
onderhouden.” (,yrbd D’varim [Deuteronomium] 16:9-12).
“In
de derde maand (Sivan) na de uittocht der Israëlieten uit
het land Egypte, op dezelfde dag, kwamen zij in de woestijn Sinai. Nadat zij van Refidim opgebroken waren, kwamen zij in de
woestijn Sinai en legerden zich in de woestijn; en
Israël legerde zich daar tegenover de berg. Toen klom Moshe [Mozes] op tot G’d, en de Eeuwige riep
tot hem van de berg, en zeide: Zo zult gij zeggen tot het huis van Ya’aqov [Jakob] en meedelen aan de
Israëlieten: gij hebt gezien, wat Ik de Egyptenaren heb aangedaan, en dat Ik u
op arendsvleugelen gedragen en tot Mij gebracht heb. Nu dan, indien gij
aandachtig naar Mij luistert en Mijn verbond bewaart, dan zult gij uit alle
volken Mij ten eigendom zijn, want de ganse aarde behoort Mij. En gij zult Mij
een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk. Dit zijn de woorden die
gij tot de Israëlieten spreken zult. Toen kwam Moshe en ontbood de oudsten van het volk en
legde hun al deze woorden die de Eeuwige hem geboden had, voor. En het gehele
volk antwoordde eenparig: Alles wat de Eeuwige gesproken heeft, zullen wij
doen. En Moshe bracht de woorden van het volk weder
aan de Eeuwige over. Daarna zeide de Eeuwige tot Moshe: Zie, Ik kom tot u in een donkere
wolk, opdat het volk kan horen, wanneer Ik met u spreek, en zij ook voor altoos
in u geloven. En
Moshe deelde de
woorden van het volk aan de Eeuwige mee. En de Eeuwige zeide tot Moshe: Ga tot het volk; heilig hen heden en
morgen, en laten zij hun klederen wassen. En tegen de derde dag zullen zij
gereed zijn, want op de derde dag zal de Eeuwige nederdalen voor de ogen van
het gehele volk op de berg Sinai. Daarom
zult gij het volk buiten een bepaalde kring houden en zeggen: Wacht er u voor
de berg te bestijgen, of maar de voet ervan aan te raken; ieder die de berg
aanraakt, zal zeker ter dood gebracht worden. Geen hand zal hem aan raken, want
dan zal men zeker gestenigd of met pijlen doorschoten worden; hetzij dier hetzij
mens, hij zal niet blijven leven. Eerst bij de langgerekte toon van de Shofar [hoorn] mogen zij de berg bestijgen.
Toen daalde Moshe de berg af naar het volk; hij
heiligde het volk en zij wiesen hun klederen. En hij zeide tot het volk: Weest
over drie dagen gereed, nadert niet tot een vrouw. En het geschiedde op de
derde dag, toen het morgen werd, dat er donderslagen en bliksemstralen en
een zware wolk op de berg waren en zeer sterk Shofargeschal, zodat al het volk dat in de
legerplaats was, beefde. Toen leidde Moshe het volk uit de legerplaats G’d tegemoet en zij stelden zich op onder aan
de berg. En de berg Sinai stond geheel in rook, omdat de Eeuwige daarop
nederdaalde in vuur; de rook daarvan steeg op als de rook van een oven,
en de gehele berg beefde zeer. Het geluid van de Shofar werd gaandeweg zeer sterk. Moshe sprak, en G’d antwoordde hem in de donder.
Toen daalde de Eeuwige neder op de berg Sinai, op de bergtop, en de Here riep Moshe naar de bergtop, en Moshe klom
naar boven. Daarna zeide de Eeuwige tot Moshe: Daal af, waarschuw het volk, dat zij niet doordringen tot de Eeuwige om
iets te zien; dan zouden velen van hen vallen. En ook de Kohanim [priesters] die tot de Eeuwige
naderen, zullen zich heiligen, opdat de Eeuwige niet tegen hen losbreke. Toen
zeide Moshe tot de Eeuwige: Het volk kan de berg Sinai niet bestijgen, want gij hebt ons
gewaarschuwd: zet de berg af en heilig hem. Daarop zeide de Eeuwige tot hem:
Ga, daal af en klim met Aharon naar
boven; maar de priesters en het volk mogen niet doordringen om tot de Eeuwige
op te klimmen, opdat Hij niet tegen hen losbreke. Toen daalde Moshe af tot het volk en zeide het hun.” (tvm> Sh’mot [Exodus] 19:1-25).
Toen sprak G’d al deze woorden: Ik ben de Eeuwige, uw G’d, die u uit het
land Egypte, uit het diensthuis, geleid heb. Gij zult geen andere goden voor
Mijn aangezicht hebben. Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige
gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van
wat in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen
dienen; want Ik, de Eeuwige, uw G’d, ben een naijverig G’d, die de
ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het
vierde geslacht van hen die Mij haten, en die barmhartigheid doe aan duizenden
van hen die Mij liefhebben en Mijn geboden onderhouden. Gij zult de naam van de
Eeuwige, uw G’d, niet ijdel gebruiken, want Adonai zal niet onschuldig houden wie Zijn
naam ijdel gebruikt. Gedenk Yom Shabat [de
sabbatdag], dat gij die heiligt; zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk
doen; maar de zevende dag is de Shabat van de Eeuwige, uw G’d;
dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw
dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch de vreemdeling die in uw
steden woont. Want in zes dagen heeft de Eeuwige de hemel en de aarde gemaakt,
de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de
Eeuwige Yom Shabat [de sabbatdag] en heiligde die. Eer
uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de Eeuwige, uw G’d, u geven zal. Gij zult niet doodslaan.
Gij zult niet echtbreken. Gij zult niet stelen. Gij zult geen valse getuigenis
spreken tegen uw naaste. Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet
begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch
zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is. En het gehele volk
was getuige van de donderslagen, de bliksemstralen, het geluid van de
Shofar en de rokende berg. Toen het volk het zag, beefde het en bleef
van verre staan.” (tvm> Sh’mot [Exodus] 20:1-18).
“En toen Chag
Shavuot [de
Pinksterdag] aanbrak, waren allen tezamen bijeen. En eensklaps kwam er
uit de hemel een geluid als van een geweldige windvlaag en
vulde het gehele huis, (het ligt voor de hand dat hiermee de Tempel bedoeld is, die er toen nog
stond, want de discipelen hielden zich nauwkeurig aan de voorschriften) waar
zij gezeten waren; en er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur,
die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen; en zij werden allen
vervuld met Ruach
haQodesh [de
heilige Geest] en begonnen met andere tongen te spreken, zoals de Geest het hun
gaf uit te spreken. Nu waren er Joden te Jeruzalem woonachtig,
vrome mannen uit alle volken onder de hemel; en toen dit geluid
gekomen was, liep de menigte te hoop en verbaasde zich, want een ieder hoorde
hen in zijn eigen taal spreken. En buiten zichzelf van verwondering zeiden zij:
Zie, zijn niet al dezen, die daar spreken, Galileeërs? En hoe horen wij hen dan
een ieder in onze eigen taal, waarin wij geboren zijn? Parten, Meden,
Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea en Kapadocie, Pontus en Asia, Frygië
en Pamfylië, Egypte en de streken van Libië bij Cyrene, en hier verblijvende Romeinen,
zowel Joden als Jodengenoten, Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze
eigen taal van de grote daden G’ds spreken. En zij waren allen buiten zichzelf
en geheel met de zaak verlegen, en zij zeiden de een tot de ander: Wat wil dit
toch zeggen? Maar anderen zeiden spottend: Zij hebben te veel zoete wijn
gehad! Maar Kefa [Petrus] stond met de elven op, en
hij verhief zijn stem en sprak hen toe: Gij Joden en allen, die te Jeruzalem
woonachtig zijt, dit zij u bekend en neemt mijn woorden ter ore. Want deze
mensen zijn niet dronken, zoals gij veronderstelt, want het is het derde uur
van de dag; maar dit is het, waarvan gesproken is door de profeet Yo’el [Joël]: En het zal zijn in de laatste
dagen, zegt G’d, dat Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw
zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten
zien, en uw ouderen zullen dromen dromen: ja, zelfs op Mijn dienstknechten en
Mijn dienstmaagden zal Ik in die dagen van Mijn Ruach [Geest] uitstorten en zij zullen profeteren.
– En met nog meer andere woorden getuigde hij, en hij vermaande hen, zeggende:
Laat u behouden uit dit verkeerde geslacht. Zij dan, die zijn woord
aanvaardden, lieten zich dopen en op die dag werden ongeveer drieduizend zielen
toegevoegd.” (tvlipm Mifalot [Handelingen] 2:1-18, 40-41).
De Eeuwige zegt in de Tora dat Zijn volk
Israël zeven volle weken moest tellen vanaf de dag dat men de eerstelinggarve
van de gersteoogst in de tempel bracht tot op de dag dat men opnieuw een spijsoffer
voor de Eeuwige moest brengen. Ditmaal is het geen garve, geen schoof zoals bij
het feest der ongezuurde broden, maar bestaat het offer uit twee gezuurde
broden. De garve die op Yom haBikurim [de dag
der eerstelingen] naar de tempel werd gebracht, was de eersteling van de
gersteoogst en het offer van de twee eerstelingenbroden op het feest der weken
tekent het begin van de tarweoogst. Daarom wordt Shavuot
terecht in Numeri 28:6 eveneens Yom haBikurim
[dag der eerstelingen] genoemd. Hierdoor is er een direct verband tussen Pesach en Shavuot,
Pasen en Pinksteren. Yeshua, die op Yom haBiqurim is opgestaan, is de Eersteling uit de
doden en de drieduizend zielen die na de uitstorting van de Heilige Geest op de
Pinksterdag (Shavuot) aan de gemeente werden toegevoegd,
waren de eerstelingen van de mensenoogst! Het is dus geen toeval dat Shavuot op de eerste plaats een dankdag is voor de
oogst, een oogstfeest, en daarom zijn op die dag de synagogen en huizen
prachtig versiert met veel groen, bladplanten, veldvruchten en verse bloemen.
Volgens de oudste bron heet Shavuot ook
oorspronkelijk ‘feest van de oogst’, ofwel in het Hebreeuws ryjqh gx Chag haQatzir (tvm> Sh’mot [Exodus] 23:16). Het tellen van de zeven weken tussen Pesach en het wekenfeest heet rmvih trypc Sefirat
haOmer [de omertelling].
Mijn vorige studie was geheel aan dit onderwerp gewijd en het zou goed zijn om
die eerst te lezen alvorens met de huidige bijbelstudie verder te gaan. Na deze
zeven weken, zeven Shabatot en zeven maal zeven dagen valt Shavuot dus op de vijftigste dag. Dit blijkt ook uit
de Griekse naam van dit feest in het Nieuwe Testament, want daar wordt Shavuot namelijk ‘de vijftigste’ (penthkosth pentēkostē) genoemd. Het ons bekende woord Pinksteren (in
het Engels Pentecost) is hiervan afgeleid. In de Talmud
wordt Shavuot ook trji Atzeret [slotfeest] genoemd, want de wijzen zagen die dag
als de afsluiting van Pesach. De Rebbe van Slonym zegt dat pas op het moment dat de Tora [wet] aan Moshe
[Mozes] werd gegeven er van een echte bevrijding sprake kon zijn want de Mishna in Pirke Avot
6:2 leert ons: "Er is geen vrijheid dan de Tora".
Ook hij ziet Shavuot dus als een afsluitend
feest voor de bevrijding van het Joodse volk. Dit is volgens hem dan ook de
reden dat er in de Tora geen specifieke datum
voor Shavuot is gegeven, maar dat deze afhangt
van Pesach, het begin van de bevrijding. Het
Wekenfeest moet men dus zien als de vervolmaking van deze bevrijding, want in tegenstelling tot de overige Moadim noemt de Tora
inderdaad geen vaste datum voor de viering van Shavuot, maar geeft slechts aan, dat men vanaf de dag na
de Shabat, dus de dag van de eerstelingen,
zeven volle weken moet tellen. Dit schijnt een oeroud twistpunt te zijn
geweest, want het leidde tot een heel felle debat in het Sanhedrin tussen de twee grote politieke en
religieuze facties P’rushim [Farizeeën] en Tzaduqim [Sadduceeën] over de dag waarop Shavuot precies gevierd moet worden. Oorzaak van het
geschil was de Toratekst zelf. Men was het
namelijk met elkaar niet eens wat ‘de dag na de Shabat’
betekende. Sloeg het woord Shabat op de
wekelijkse rustdag of op de eerste dag van het feest, die als het ware een
extra Shabat is omdat er op die dag niet
gewerkt wordt? Helaas waren de Farizeeën van mening dat dit op het laatste
sloeg, dus op de eerste dag van Chag haMatzot
[het feest der ongezuurde broden], de 15e Nisan,
en zo werd het binnen het rabbijnse jodendom traditie tot de dag van vandaag de
omer te tellen vanaf de tweede dag van Chag haMatzot, dus de 16e Nisan, waardoor Shavuot
voor altijd uitkwam op de 6e Sivan,
ongeacht welke dag van de week het is. De Sadduceeën, maar ook de Rabbanieten
en de Karaïeten daarentegen vonden dat men het woord Shabat
letterlijk moet nemen en dat hier de gewone wekelijkse Shabat mee bedoeld is, die binnen de week van de
ongezuurde broden valt, ongeacht op welke datum. In hun visie valt Yom haBiqurim [de dag der eerstelingen] dus altijd op
een zondag en logischerwijs hieraan gekoppeld zou dus ook Shavuot altijd op een zondag vallen. Deze visie wordt
ondersteund door zowel het Paasevangelie alsook door de Tora zelf! Meestal ben ik het met de Sadduceeën niet eens, maar in
dit geval moet ik ze wél gelijk geven, maar helaas: de Sadduceeën zijn in de
loop der eeuwen verdwenen en met hen ook deze visie. De Farizeese opvatting
echter is gebleven en zo viert elke Jood, orthodox en liberaal, het wekenfeest
als vaste prik op de 6e Sivan en
buiten Israël ook nog op de 7e Sivan.
Elke Jood? Volstrekt niet! Een deel van de Messiasbelijdende Joden en wat er
van de Karaïeten nog over is delen de Sadduceese opvatting en beginnen derhalve
de omer te tellen vanaf de opstandingdag van Yeshua haMashiach, die zoals bekend op de eerste dag
der week plaats vond en wijken daarmee af van de officiële Luach [agenda]. En toch weten zij zich hierin ook
door de Tora gesteund, want er staat namelijk
niet alleen geschreven, dat men vanaf de dag ná de Shabat moet tellen, maar ook dat men tot
de dag ná de zevende Shabat moet
tellen (Lev. 23:15-16)! Er is hier dus sprake van zeven volle weken en zeven Shabatot, en daar kunnen onmogelijk zeven feestdagen
mee bedoeld zijn. Derhalve zal Shavuot voor ons
altijd op een zondag vallen, die uiteraard reeds op de avond daarvoor na
zes uur begint, na afloop van de Shabat. De
Kerk uit de heidenen, die haar Pinksterfeest ook altijd op een zondag viert
(ook al is die niet altijd op dezelfde datum als de onze) heeft weliswaar een
kalender de hare gemaakt die van de bijbelse kalender afwijkt, maar toch vindt
het feit dat Pinksteren 50 dagen na Pasen gevierd wordt, haar wortels in die
pluralistische tradities van het Jodendom. De Messiasbelijdende Joden betreuren
het om in de viering van Shavuot zowel van de synagoge
alsook van de kerk te verschillen, maar de gehoorzaamheid aan G’ds Woord staat
voor ons voorop. Toch of men nu begint te tellen vanaf de tweede dag van Chag haMatzot of vanaf Yom
haBiqurim of zelfs vanaf het christelijke Paasfeest, in alle drie gevallen
telt men 49 dagen en komt derhalve uit op de vijftigste dag: Pinksteren! Deze
50e dag is de lange wachttijd meer dan waard, want het is een
openbaringsdag! Wij lazen in het boek ,yxyl>h tvlipm Mifalot haSh’lichim [Handelingen der Apostelen] dat de Eeuwige Zich
op deze 50e dag na de opstanding van Yeshua
in Jeruzalem heeft geopenbaard door Zijn Ruach
haQodesh [Heilige Geest], maar in het boek tvm> Sh’mot [Exodus] lazen wij ook dat Hij Zich reeds vele
eeuwen eerder op de berg Sinai heeft
geopenbaard op de 50e dag na de uittocht uit Egypte, want er staat
geschreven: “In de derde maand na de uittocht der
Israëlieten uit het land Egypte, op dezelfde dag…” - De
uittocht vond plaats in de eerste maand, dat is de maand Nisan. De aankomst bij de
berg Sinai
vond plaats in de derde maand, dat is de maand Sivan, op dezelfde dag! Wat wordt daarmee bedoeld? Betekent deze
toevoeging dat de Israëlieten na drie maanden precies op dezelfde dag bij de Sinai aankwamen als de dag
waarop ze waren vertrokken? Als dat zo was dan zou dit op de 15e Sivan moeten zijn geweest,
maar dat kan nooit kloppen, want dan zou het niet meer in verband gebracht
kunnen worden met Shavuot. De omertelling is immers vijftig dagen maar als wij Exodus 19:1
letterlijk nemen en geloven dat ze vanaf de uittocht tot de aankomst bij de
berg Sinai tot
op de dag drie maanden over gedaan hebben dan zitten we uiteraard aan meer dan
vijftig dagen. Ik geef toe, dat dit vers op het eerste gezicht niet lijkt te
kloppen, want als men er inderdaad van uitgaat dat de toevoeging "dezelfde
dag" zou slaan op de uittocht uit Egypte, dan heeft men een probleem. De
uittocht vond plaats op de 15e Nisan en dan zou de aankomst bij de Sinai zoals ik reeds zei op
de 15e Sivan
geweest moeten zijn, maar dan komen we inderdaad een aantal dagen na Shavuot uit. Maar in het
Hebreeuws staat ook niet letterlijk "dezelfde dag", maar "deze
dag" (yom haze), en dat maakt wel een verschil. Volgens de Talmud en ook volgens Rashi slaat de toevoeging
“deze dag” namelijk ook niet op het uitrekken van de Israëlieten uit Egypte,
maar op de eerste drie woorden: "In de derde maand" en als je
het zo leest, dan staat er feitelijk: “In de derde maand, op deze dag...”
- daar wordt Rosh Chodesh mee bedoeld! De Israëlieten kwamen dus ruimschoots voor Shavuot bij de Sinai aan, op de dag dat de
derde maand begon, op Rosh Chodesh van de maand Sivan. Maar de tijd die het volk Israël nodig had vanaf haar
vertrek uit de slavernij tot aan de openbaring op de berg Sinai loopt in elk geval
weg wel voor een groot deel gelijk aan de omertijd en daarom zegt Moshe
ben Maimon, beter bekend als Maimonides,
de middeleeuwse Joodse geleerde (1155 - 1204), over de omertelling:
"Zoals je de dagen aftelt tot iets
bijzonders, zo tellen we de dagen van
Pesach, de uittocht, tot Shavuot, dat is de hrvt
]tm Matan Tora [het geschenk Tora], n.l. het geestelijk vrij worden door de Tora, die de Eeuwige ons in Zijn oneindige liefde
geschonken heeft, want daar is het uiteindelijk immers allemaal om
begonnen." De Messiasbelijdende Joden wijzen in dit verband
nadrukkelijk op het feit, dat Yeshua de
vleesgeworden Tora is, zoals wij kunnen lezen
in ]nxvy Yochanan [Johannes] 1:14.
In de synagoge zijn de Bima [lessenaar] en de Aron haQodesh [Heilige Ark, de kast waarin de Torarollen worden
bewaard] met prachtige bloemen versiert, en ook de met bloemen versierde woning
roept de sfeer op van een bruiloft, omdat Shavuot reeds vanouds in verband wordt gebracht met de verbondssluiting, die men
beschouwt als de bruiloft van de hemelse Bruidegom met Zijn aardse bruid! Het
huwelijk tussen de Eeuwige en Zijn volk Israël werd gesloten op de berg Sinai en bezegeld met de Tora als contract. De tien Woorden op de twee tafelen zijn een samenvatting van
alle 613 geboden en verboden van de Tora en om deze reden
worden zij op de eerste dag van Shavuot in de sjoel
gelezen. U zult zich wel afvragen of dit ook geval zou moeten zijn in de
christelijke eredienst, want de Tora is toch alleen
maar voor de Joden bedoeld? De gehele Joodse leer en het hele Joodse geloof
vindt haar oorsprong toch eigenlijk in de openbaring op de berg Sinai tijdens dit feest? Daar heeft u gelijk in, maar heeft de
Eeuwige niet op deze Pinksterdag, die ook door de christenen wordt gevierd,
Zijn wet en Zijn geboden door de uitstorting van Ruach haQodesh [de
Heilige Geest] in de harten van alle gelovigen geschreven? Hij heeft dit
weliswaar éérst aan Zijn volk Israël beloofd: “Ik zal Mijn wet in hun
binnenste leggen en die in hun hart schrijven!” (vhymry Yir’m’yahu [Jeremia] 31:33), maar vanaf de
overweldigende manifestatie van Zijn hnyk> Shechina [tegenwoordigheid] op de Pinksterdag is zij
eveneens voor de gelovigen uit de volken: “niet met inkt geschreven, maar
met de Geest van de levende G’d, niet op tafelen van Steen, maar op tafelen
van vlees in onze harten!” (2 Korinthiërs 3:3). Op talrijke plaatsen
zegt de Eeuwige in Zijn Woord, dat Hij Zijn wet, Zijn heilige Tora, met al haar geboden uit liefde zowel aan Zijn volk
Israël heeft geschonken als een kostbaar ]tm Matan [geschenk], maar ook aan de gelovigen
uit de volken die door hun geloof in de G’d van Israël en de Messias van Israël
geënt zijn op de edele olijfboom: “Éénzelfde wet zal gelden voor de geboren
Israëliet en voor de vreemdeling, die in uw midden vertoeft.” (tvm> Sh’mot [Exodus] 12:49). “Wat
de gemeente betreft, éénzelfde inzetting zal gelden zowel voor u als voor de
vreemdeling die bij u vertoeft; een
altoosdurende inzetting zal het zijn voor uw geslachten: gij en de
vreemdeling zullen voor de Eeuwige gelijk zijn. Éénzelfde wet en éénzelfde
voorschrift zal gelden zowel voor u als voor de vreemdeling die bij u
vertoeft.” (rbdmb Bamidbar [Numeri] 15:15-16). Om deze reden
schrijft Sha’ul [Paulus] dan ook dat er: “geen
onderscheid is tussen Griek en Jood, besneden of onbesneden, barbaar en Skyth,
slaaf en vrije, maar alles en in allen is de Mashiach” (Kolossenzen 3:11) en: “Hierbij is geen sprake van
Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt
immers één in Yeshua
haMashiach.” (Galaten 3:28). Dat wij echter zonder
G’ds kracht niet in staat zijn om Zijn wil te volgen en Zijn geboden te
onderhouden omdat wij zwakke mensen zijn, weet onze hemelse Vader maar al te
goed! Vandaar Zijn belofte voor het eerste Shavuot na de opstanding van Yeshua: “Mijn
Geest zal Ik in uw binnenste geven en maken, dat gij naar Mijn inzettingen
wandelt en naarstig Mijn verordeningen onderhoudt.” (laqzxy Yechez’qel [Ezechiël] 36:27). - Met het oog op
het aankomende Shavuot [Pinksteren], het wekenfeest waarop Moshe destijds de twee tafelen met de tien geboden heeft
ontvangen, kondigde Yeshua bij de tafelgesprekken tijdens Zijn
laatste sederavond van Pesach reeds de vervulling van deze profetie aan, namelijk de
komst van Ruach haQodesh [de Heilige Geest]: “Wanneer
gij Mij liefhebt, zult gij Mijn geboden bewaren. En Ik zal de Vader bidden
en Hij zal u een andere Trooster geven om tot in eeuwigheid bij u te zijn, de
Geest der waarheid, die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en
kent Hem niet; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn. Ik
zal u niet als wezen achterlaten. Ik kom tot u. Nog een korte tijd en de wereld
ziet Mij niet meer, maar gij ziet Mij, want Ik leef en gij zult leven. Te dien
dage zult gij weten, dat Ik in Mijn Vader ben en gij in Mij en Ik in u. Wie
Mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en wie Mij
liefheeft, zal geliefd worden door Mijn Vader en Ik zal hem liefhebben en
Mijzelf aan hem openbaren! - Indien iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn
woord bewaren en Mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en
bij hem wonen. Wie Mij niet liefheeft bewaart Mijn woorden niet; en het
woord, dat gij hoort, is niet van Mij, maar van de Vader, die Mij
gezonden heeft! Dit heb Ik tot u gesproken, terwijl Ik nog bij u verblijf;
maar de Trooster, Ruach
haQodesh [de
Heilige Geest], die de Vader zenden zal in Mijn naam, die zal u alles leren en
u te binnen brengen al wat Ik u gezegd heb. - Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij
kunt het thans niet dragen; doch wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, zal
Hij u de weg wijzen tot de volle waarheid; want Hij zal niet uit Zichzelf
spreken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spreken en de toekomst zal Hij u
verkondigen.” (]nxvy Yochanan [Johannes] 14:15-21, 23-24 en
16:12-13). Vijftig dagen
na de Opstanding van Yeshua werd deze belofte vervuld! En daarom
is Shavuot niet alleen voor de Joden, maar zeer
zeker ook voor de gelovigen uit de volken waarlijk de vntrvt ]tm ]mz Z’man
Matan Toratenu, de tijd
waarop wij het ontvangen van de Tora letterlijk als
een “geschenk uit de hemel” mogen vieren!
Terwijl Shavuot oorspronkelijk
een agrarisch feest was vanwege de eerstelingen van de oogst, die naar de
tempel gebracht moesten worden, is het na de verwoesting van deze tempel tot de
huidige dag zowel in het traditionele alsook in het Messiasbelijdend Jodendom
hoofdzakelijk bewaard gebleven als Openbaringsfeest. Beide openbaringen, zowel
op de berg Sinai alsook in Jeruzalem gingen gepaard
met natuurgeweld. In het boek Exodus lezen wij: “En het geschiedde op de derde
dag, toen het morgen werd, (doet dit niet sterk aan de
opstanding van Yeshua denken?) dat er donderslagen
en bliksemstralen en een zware wolk op de berg waren en zeer
sterk Shofargeschal, zodat al het volk dat in de legerplaats was,
beefde. Toen leidde Moshe het volk
uit de legerplaats G’d tegemoet en zij stelden zich op onder aan de berg. En
de berg Sinai stond geheel in rook, omdat de Eeuwige daarop nederdaalde in vuur;
de rook daarvan steeg op als de rook van een oven, en de gehele berg beefde
zeer. Het geluid van de Shofar werd
gaandeweg zeer sterk. (tvm> Sh’mot [Exodus]
19:16-19). In de beschrijving van het pinksterverhaal zien wij een soortgelijk
tafereel: “En toen Shavuot
aanbrak, waren allen tezamen bijeen. En eensklaps kwam er uit de hemel
een geluid als van een geweldige windvlaag en vulde het gehele huis,
waar zij gezeten waren; en er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur,
die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen; en zij werden
allen vervuld met Ruach
haQodesh [de
heilige Geest] en begonnen met andere tongen te spreken, zoals de
Geest het hun gaf uit te spreken.” (tvlipm Mif’alot [Handelingen] 2:1-4). In beide
openbaringen is er sprake van een sterk stormgedruis en in beide openbaringen
wordt het neerdalen van vuur vermeld. Het verband tussen de “tongen als van vuur” en het vermogen van de Talmidim om in “vreemde tongen” te spreken is duidelijk zichtbaar voor allen die weten
dat het Hebreeuwse woord ]v>l Lashon zowel “tong” alsook “taal” betekent! Rabbi Yochanan heeft eens gezegd: “Toen G’ds stem
weerklonk op de Sinai verdeelde hij zich in de zeventig
talen van de mensheid, zodat alle volken Hem konden verstaan!” (Sh’mot Raba 5:9). Ziet u de overeenkomst met het
pinksterverhaal? Daar lezen wij: “Nu waren er Joden te Jeruzalem woonachtig,
vrome mannen uit alle volken onder de hemel; en toen dit geluid
gekomen was, liep de menigte te hoop en verbaasde zich, want een ieder
hoorde hen in zijn eigen taal spreken! En buiten zichzelf van
verwondering zeiden zij: Zie, zijn niet al dezen, die daar spreken, Galileeërs?
En hoe horen wij hen dan een ieder in onze eigen taal, waarin wij
geboren zijn? Parten, Meden, Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea en
Kapadocie, Pontus en Asia, Frygië en Pamfylië, Egypte en de streken van Libië
bij Cyrene, en hier verblijvende Romeinen, zowel Joden als Jodengenoten,
Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze eigen taal van de
grote daden G’ds spreken.” (tvlipm Mif’alot [Handelingen] 2:5-11).
Voor de religieuze Joden, zowel traditioneel alsook
messiasbelijdend, is Shavuot vooral een openbaringsfeest geworden, maar voor de meeste
seculiere Joden blijft het toch wel het boerenfeest dat het van oorsprong
geweest is. Ook al is het brengen van de eerstelingen naar de tempel
weggevallen, toch wordt het wekenfeest vanouds in de vele Kibutzim in de staat Israël, maar ook in de nederzettingen op
bijbelse grond als een feest van de eerste vruchten gevierd. Daar worden
evenals in de steden voor het wekenfeest de synagogen met takken, slingers en
bloemen versiert. Omdat de meeste kibutz-bewoners
daarentegen geen enkele binding ervaren met de geloofsleer van het Jodendom,
worden de eerste vruchten niet aan een priester of rabbijn in een synagoge overhandigd,
maar aan het Joodse Nationale Fonds! Zo werd in Israël zowel in de religieuze
nederzettingen als in de niet-religieuze Kibutzim het oude feest van de eerstelingvruchten weer nieuw leven ingeblazen, en
zo mogen onze broeders en zusters in Israël ook bij het vieren van dit
openbaringsfeest weer de oorspronkelijke frisse landlucht inademen. Maar er
zijn nog meer sporen te vinden van het agrarische feest, dat het oorspronkelijk
was, namelijk het dankfeest voor de tarweoogst. Daaraan is het bijvoorbeeld te
danken, dat tijdens het Wekenfeest in de synagoge het boek tvr Rut wordt voorgelezen, want daar staat
geschreven dat Rut en haar schoonmoeder Naomi in het begin van de gersteoogst in Bethehem aankwamen (tvr Rut 1:22) en in hoofdstuk 2 vers 23 lezen
wij: “Zo sloot zij zich aan bij de arbeidsters van Boaz om op te lezen, totdat de gersteoogst
en de tarweoogst afgelopen waren”. - Shavuot was dus
oorspronkelijk een echt boerenfeest, hoewel wij ons nu nauwelijks nog kunnen
voorstellen hoe dit precies in bijbelse tijden gevierd werd. Gelukkig is er in
de Mishna een gedetailleerde beschrijving van
deze festiviteiten bewaard gebleven: “Op
welke wijze werden de eerstelingen afgezonderd? Als iemand naar het veld ging
en een vijg zag, die rijp was, een druif, die rijp was, en een granaatappel,
die rijp was, dan maakte hij er een bundeltje van door een bies omheen te
binden en zei: Zie, dit zullen mijn eerstelingen zijn. Rabbi Shim’on heeft echter gezegd: ‘Hij zal ze
nogmaals eerstelingen noemen, nadat hij ze van de bodem afgesneden had.’ - Een heel uitgebreid verslag over
het brengen van de eerstelingen naar de Tempel vinden wij in de Mishna: “Hoe bracht men
de eerstelingen naar Jeruzalem? De bewoners van alle kleine plaatsen van een
district verzamelden zich in de hoofdstad van het district. Daar overnachtten
ze onder de vrije hemel, zonder de huizen te betreden. Vroeg in de ochtend riep
het districtshoofd: ‘Op, laat ons optrekken naar Tzion, naar de Eeuwige, onze G’d!’ Zij die
dichtbij woonden brachten vijgen en druiven. Zij die ver weg woonden brachten
gedroogde vijgen en rozijnen. De os die bestemd was om geofferd te worden liep
voorop, zijn horens met goud overtrokken en een olijvenkrans op zijn kop. Voor
hen uit werd op de fluit gespeeld, tot ze in de nabijheid van Jeruzalem kwamen.
Daar aangekomen zonden ze boden uit en versierden hun eerstelingvruchten.
Daarna kwamen de dienstdoende priesters, levieten en schatbewaarders hen
tegemoet; zij kwamen al naar de eer van de groep dat vereiste. De
handwerkslieden van Jeruzalem stonden voor hen op en groetten hen: ‘Onze broeders, gij lieden uit die en die
plaats, komt in vrede!’ Opnieuw werd dan voor hen uit op de fluit
gespeeld tot ze de tempelberg bereikten. Daar aangekomen nam zelfs koning Agrippa zijn eigen mand op
de schouder en trad binnen tot in de voorhof van de Tempel. Zodra de pelgrims
de voorhof van de Tempel hadden bereikt, hieven de levieten Tehilim [Psalm] 30 aan: ‘Ik zal U verhogen, Eeuwige, want Gij hebt
mij opgetrokken…’ De jonge tortelduiven, die aan de manden hingen,
werden als brandoffer gegeven, en wat men in de hand had (waarschijnlijk het
bundeltje de vruchten, want in de mand lagen de broden), gaf men aan de
priesters. Terwijl men nog de mand op zijn schouders had, las men Devarim [Deuteronomium] 26:3-10: ‘Wanneer gij komt in het land, dat de
Eeuwige, uw G’d, u ten erfdeel geven zal en gij het in bezit neemt en daarin
woont, dan zult gij van de eerstelingen van alle vruchten van de bodem, die gij
zult inzamelen van het land, dat de Eeuwige, uw G’d, u geven zal, nemen, en in
een mand doen en naar de plaats gaan, die de Eeuwige, uw G’d, verkiezen zal om
daar Zijn naam te doen wonen. En gekomen bij de priester, die er dan wezen zal,
zult gij tot hem zeggen: Ik verklaar heden voor de Eeuwige, uw G’d, dat ik gekomen ben in het
land, waarvan de Eeuwige aan onze vaderen gezworen heeft, dat Hij het ons zou
geven. Dan zal de priester de mand van u aannemen en die voor het altaar van de
Eeuwige, uw G’d, zetten.’ Als men bij vers 5 is aangekomen, dan nam men
de mand van de schouders en hield hem vast aan de randen, en een priester legde
dan zijn hand eronder om hem heen en weer te bewegen. Daarna las men verder van
vers 5 totdat het hoofdstuk beëindigd was: ‘Daarna zult gij voor het aangezicht van de Eeuwige, uw G’d, betuigen:
Een zwervende Arameeër was mijn vader; hij trok met weinige mannen naar Egypte
en verbleef daar als vreemdeling, maar werd er tot een groot, machtig en
talrijk volk. Toen de Egyptenaren ons mishandelden en verdrukten en ons harde
slavenarbeid oplegden, riepen wij tot de Eeuwige, de G’d van onze vaderen, en
de Eeuwige hoorde onze stem en zag onze ellende, moeite en verdrukking. Toen
leidde ons de Eeuwige uit Egypte met een sterke hand, een uitgestrekte arm en
grote verschrikking, door tekenen en wonderen; Hij bracht ons naar deze plaats
en gaf ons dit land, een land, vloeiende van melk en honig. En nu, zie, ik
breng de eerstelingen van de vrucht van het land, dat Gij, Eeuwige mij gegeven
hebt. Gij zult ze neerzetten voor het aangezicht van de Eeuwige, uw G’d; gij
zult u voor het aangezicht van de Eeuwige, uw G’d, neerbuigen, en gij zult u
verheugen over al het goede dat de Eeuwige, uw G’d, u en uw huis gegeven heeft:
gij, de Leviet en de vreemdeling, die in uw midden is.’ Daarna zette men
de mand naast het altaar neer op de grond, wierp zich in aanbidding ter aarde
en ging naar buiten.” (,yrvkb hn>m Mishna Bikurim 3:1-6).
Shavuot is zowel een oogstfeest alsook een openbaringsfeest, want de aardse oogst
en de hemelse openbaring horen samen te gaan, zoals de Joodse geleerde Theodor
Gaster met een prachtige beeldspraak heeft omschreven: Op het wekenfeest brengt
de mens twee broden als eerstelinggave voor het aangezicht van G’d, en G’d
schenkt de mens de twee tafels met de Tien Geboden. De stenen tafels zijn
weliswaar verdwenen, toch nu zijn de geboden in onze harten geschreven. Ook de
tempel is verdwenen, maar niet de twee broden! Die liggen nu op onze feestdis,
want met Shavuot worden twee extra lange Challes (gevlochten Shabatbroden)
gegeten, die op een zilveren bord liggen onder een geborduurde doek. Deze twee Challes herinneren aan de twee broden, die op Shavuot naar de tempel gebracht moesten worden. De twee broden
herinneren ook aan de twee voorouders van David haMelech [koning David], namelijk de Israëliet Boaz en de gelovige uit de volken Rut, die op hun beurt
weer een beeld zijn van de twee kuddes, die door Yeshua één zullen worden. Maar zoals Rut door haar vrije
keuze: “Uw G’d is ook mijn G’d en uw volk is ook mijn volk” werd
ingevoegd in het Joodse volk, zo moeten ook de schapen, ‘die niet van deze
kudde zijn’, worden ingevoegd in de israëlische kudde van de Goede Herder!
Twee broden werden naar de tempel gebracht om de Eeuwige als offer aan te
bieden. Twee stenen tafelen heeft Moshe van de Eeuwige
ontvangen, waarop in tien woorden een samenvatting stond geschreven van de hele
Tora! Zo houden de twee broden op Shavuot veel meer in dan de twee Challes, die elke Shabat aan de dubbele portie manna in de
woestijn herinneren, omdat wij allen hier door deze prachtige symboliek zelf
ook in die twee gevlochten broden zijn vertegenwoordigd. Ook met het Wekenfeest
wordt er een feestmaal opgediend, mar in tegenstelling tot de Shabat en alle andere feestdagen komt er tijdens Shavuot geen vlees op tafel. Omdat Shavuot op de eerste plaats een oogstfeest is bestaat de
hoofdmaaltijd derhalve uitsluitend uit landbouwproducten: vegetarische
gerechten en spijzen die zijn toebereid met melk, kwark en kaas zoals
kaaskoekjes, kaasblintzes (pannekoeken) en Käsekuchen (kwarktaart). Als reden voor het eten
van kaasproducten wordt reeds sinds de 6e eeuw vers 16 en 17 van Tehilim [Psalmen] 68 aangehaald, die tot de vaste schriftlezing
voor Shavuot behoort: “Een gebergte G’ds: het
gebergte van Bashan. Gebergte van Bashan, veeltoppig gebergte, waarom ziet gij
afgunstig, gij veeltoppige bergen, naar de berg die G’d Zich ter woning
begeerde?” Het woord
“veeltoppig” in vers 16 gaat terug op een Hebreeuws woord, dat alleen in deze
ene Bijbeltekst voorkomt, verder nergens, en daarom moet de betekenis ervan uit
het verband worden afgeleid. Nu luidt het Hebreeuwse woord in kwestie Gavnunim, hetgeen dezelfde stam heeft als het Hebreeuwse woord
voor kaas: hnybg Gevina. Om deze reden gaan de rabbijnen
ervan uit dat het eten van kaas tijdens Shavuot reeds is aangegeven in de schriftlezing die speciaal bij dit feest hoort!
Of dat ook echt zo is laat ik in het midden, maar Käsekuchen vind ik heerlijk, want die heb ik als
kind bij mijn moeder reeds graag gegeten.
Ik wil eindigen met het citeren van een tekst uit de Talmud, die ons aan de hand van een woordspeling laat zien, dat
de uittocht uit Egypte slechts de lichamelijke vrijheid voor het volk Israël
bracht, maar dat haar geestelijke bevrijding pas heeft plaats gevonden door de
wetgeving op de berg Sinai! Zonder de Tora heerst er chaos, zonder de Tora bevindt men zich in de slavernij van de zonde en
afgoderij, want zonder de Tora is men niet op
de hoogte van G’ds wil! Daarom is de Tora het meest
kostbare geschenk dat de Eeuwige ons kon geven en ik wil nogmaals benadrukken
dat Yeshua de vleesgeworden Tora is, de levende Tora, die ons redding, verlossing en vrijheid heeft gebracht! Dat alles vinden
wij terug in deze woordspeling, die berust op het feit, dat voor het woord
“gegrift” of “gegraveerd” het Hebreeuwse woord tvrx Charut wordt gebruikt. Daar het Hebreeuws alleen medeklinkers
kent, is het mogelijk verschillende combinaties te maken van bepaalde woorden.
Van deze mogelijkheden van de onderstaande Midrash gebruik, want dezelfde medeklinkers x chet, r resh, v vav en t tav vinden wij ook terug in het
Hebreeuwse woord voor “vrijheid”: tvrx Charut! En nu de Midrash: “De tafelen, zo staat er in Sh’mot [Exodus] 32:16, waren het werk van G’d
zelf, en het schrift dat op de tafelen was gegrift, was het schrift van G’d! Rabbi Yehoshua Ben Levi merkte hierbij op: Lees hier niet Charut [gegrift], maar Cherut [vrijheid], want de waarlijk vrije
mens is iemand, die zich met de studie van de Tora bezighoudt!!!” (Mishna Avot 6:2). Het zijn bijna dezelfde
woorden, die ook de apostel Ya’aqov gebruikt in
zijn brief: “Maar wie zich verdiept in de volmaakte wet, die der vrijheid,
en daarbij blijft, niet als een vergeetachtige hoorder, doch als een werkelijk
dader, die zal zalig zijn in zijn doen.” (bqiy Ya’aqov [Jacobus] 1:25).
Werner Stauder