006.
Bijbelstudie over
DE SABBAT - HASHABAT
tb>h
Deel 2:
Hoe ging Yeshua ermee om?
In het vorige hoofdstuk van deze
bijbelstudie hebben wij kunnen lezen, dat de Shabat niet alleen
voor de Joden bedoeld is, maar voor alle
gelovigen! De Shabat dient immers enerzijds om de Joden eraan te
herinneren dat de Eeuwige voor hen de verlossing uit de slavernij in Egypte had
volbracht, maar ook om een ieder te herinneren
aan het volbrachte verlossingswerk van Yeshua! Bij het sterven riep Hij immers: “Het
is volbracht!” Als het vleselijk lichaam van Yeshua na Zijn sterven
op de Shabat rustte, dan is het niet meer dan logisch, dat in navolging
daarvan ook het geestelijk lichaam van Yeshua, de gemeente, na het sterven van de
‘oude mens’ de Shabat eveneens in ere gaat houden, en dat we op die dag gedenken dat
wij de rust ingegaan zijn door aanvaarding van het volbrachte werk van Yeshua! (,yrbi Ivrim [Hebreeën] 4).
Voorbeeld
We begonnen deze bijbelstudie met de
tekst uit ty>arb B’reshit [Genesis]
2:2-3, die ook deel uitmaakt van de Qidush, de wijding van de Shabat op
vrijdagavond: “Toen
G’d op de zevende dag het werk
voltooid had, dat Hij gemaakt had, rustte Hij op de zevende dag van al het werk, dat Hij gemaakt had. En G’d zegende de
zevende dag en heiligde die, omdat Hij
daarop gerust heeft van al het werk, dat G’d scheppende tot stand had
gebracht”.
Waarom rustte G’d op de zevende dag? Was Hij moe van het werken? Natuurlijk
niet! In Psalm 121:4 lezen wij immers: “Zie, de Bewaarder van Israël
sluimert noch slaapt”. Als Hij niet moe was, waarom ging Hij dan rusten? Om
dezelfde reden waarom Yeshua gedoopt werd! Had Yeshua het nodig om gedoopt te worden? Nee! Waarom
liet Hij zich dan dopen? Om te laten zien hoe het moet! Als voorbeeld, dat wij
behoren na te volgen. En zo zit het dus ook met de Shabat,
de zevende dag! Maar in beide gevallen zijn er helaas nog steeds christenen die
menen, dit voorbeeld niet te hoeven opvolgen. Terwijl Yeshua
als volwassene ondergedompeld werd, worden in de meeste kerken baby’s
besprenkeld, en terwijl G’d zelf op de zevende dag rustte en die heiligde,
rusten de meeste christenen op de eerste dag en heiligen die. Men beroept zich
hierbij op het feit, dat Yeshua op de eerste
dag is opgestaan. Maar is Shabat vieren dan de
opstanding verloochenen? In tegendeel! De Shabat
is de viering van de rust die we in G’d genieten door het offer en de opstanding
van Yeshua.
Onder
de Wet?
Altijd, als men het met christenen over
de Shabat heeft, krijgt
men een standaard antwoord: “Wij zijn niet meer onder de Wet en wij hoeven ons
niet opnieuw een juk te laten opleggen”! Einde discussie! Het lijkt wel
voorgeprogrammeerd, net alsof je een cassettebandje afdraait! Maar weet men
eigenlijk waar men het over heeft? Laten we even bekijken wat die term inhoudt.
De term “onder de Wet” (upo nomon upo nomon) komt tien maal
voor in B’rit haChadasha (het Nieuwe Testament), en wel in de brieven aan de
Romeinen, de Galaten en de Korinthiërs. Maar uit de uitspraak van Sha’ul (Paulus) in
Romeinen 6:15-16 blijkt wel duidelijk, dat hij die Wet (hrvt Tora) zeker niet als iets negatiefs beschouwde:
“Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet onder de Wet, maar onder de
genade zijn? Volstrekt niet! Weet gij niet dat gij Hem, in wiens dienst gij u
stelt als slaven ter gehoorzaamheid, ook moet gehoorzamen als slaven, hetzij
dan van de zonde tot de dood, hetzij van de gehoorzaamheid tot gerechtigheid?”
In hoofdstuk 7:7 gaat hij verder: “Wat zullen wij dan zeggen? Is de Wet
zonde? Volstrekt niet! Ja, ik zou de zonde niet hebben leren kennen, tenzij
door de Wet”. In vers 12 komt hij tot de conclusie: “Zo is dan de Wet
heilig, en ook het gebod is heilig en rechtvaardig en goed!” Als wij deze
tekst dus toepassen op de Shabat, wat is er dan verkeerd aan? Uit bovenstaande teksten
wordt immers duidelijk, dat de term “onder de Wet zijn” aantoont, dat de Wet op
zich niet verkeerd is, maar de manier hoe men ermee omgaat! Dus moet de term
“onder de Wet zijn” een negatieve
toepassing inhouden van de Wet,
die Sha’ul [Paulus] juist “heilig,
rechtvaardig, juist en goed” noemt. Op gelijke wijze is de term “werken der
Wet” (ergoi tou nomou ergoi tou nomou), die eveneens
tien maal voorkomt in de brieven aan de Romeinen en de Galaten, te zien als
“het wettisch toepassen van de geboden uit de Tora”. Let wel: “Wet” is eigenlijk
een verkeerde vertaling! Tora betekent niet “Wet” maar “Instructie”, en dat geeft al aan
dat je er niet wettisch mee kunt omgaan. En toch wordt het gedaan, en niet
alleen door Joden! Dit legalistische denken vinden we ook bij gelovigen uit de
volken. Het is typisch, dat veel christenen, die prefereren “vrij te zijn van
de Wet”, die men als “juk” ervaart (let wel: wij hebben het hier over de Wet
van G’d!), geen enkele moeite hebben met het strikt navolgen van wetten, die
door mensen gemaakt zijn! Elke kerk, of zij nou rooms-katholiek, protestants of
evangelisch is, heeft haar eigen wetten, haar eigen kerkorde, haar eigen
statuten, waarvan het de normaalste zaak is, dat men zich daar zonder te morren
aan houdt. Daarentegen heeft men er heel veel moeite mee, om G’ds geboden,
regels en instructies te gehoorzamen. Velen denken oprecht (omdat het ze zo
geleerd is), dat de Wet voor hun niet meer van toepassing zou zijn omdat zij in
Yeshua vervuld is en
‘dus’ bij het Oude Testament hoort. Yeshua heeft echter zelf gezegd: “Meent
niet, dat Ik gekomen ben om de Wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet
gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen. Want voorwaar, Ik zeg u: Eer de
hemel en de aarde vergaat, zal er niet één jota of één tittel vergaan van de
Wet, eer alles zal zijn geschied. Wie dan één van de kleinste dezer geboden
ontbindt en de mensen zo leert, zal zeer klein heten in het Koninkrijk der
hemelen; doch wie ze doet en leert,
die zal groot heten in het Koninkrijk der hemelen!” (vhyttm Matit’yahu [Matthéüs] 5:17-19). Hij zegt: “wie
ze doet!” Dat is het, wat ook Ya’aqov [Jacobus] bedoeld als hij zegt: “Want
gelijk het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder werken
dood.” (bqiy Ya’aqov [Jacobus]
2:26). Als Yeshua het heeft over “de kleinste dezer geboden”, dan bedoelt
Hij uiteraard óók de Shabat! Hij zegt dus, dat je zeer klein zal heten in Zijn
Koninkrijk, als je de mensen leert dat de Wet (inclusief het shabatgebod) niet meer
van toepassing zou zijn. In deel 2 van deze bijbelstudie gaan we kijken, hoe de
eerste gemeente en Yeshua zelf met de Shabat omgingen.
De
eerste gemeente en de Shabat
“En hun weg nemende over Amfipolis
en Apollonia, kwamen zij te Tessalonica, waar een synagoge was. En Sha’ul [Paulus] ging, zoals hij gewoon was, daar binnen
en behandelde drie Shabatot [sabbatten]
achtereen met hen gedeelten uit de Schriften”. In deze tekst uit tvlipm Mif’alot [Handelingen] 17:1-2 lezen
wij, dat Sha’ul de vaste gewoonte had, om ook ná zijn bekering
nog op Shabat de sjoeldienst bij te
wonen. Waarom deed hij dat? Omdat Yeshua
[Jezus] nooit gezegd had, dat hij dat maar op zondag moest doen. Integendeel!
Het boek Handelingen staat er vol van, dat de gelovigen, Joden zowel als
niet-joden, op de Shabat samenkomsten hielden.
We laten daarom enkele van deze teksten even de revue passeren, om maar met tvlipm Mif’alot [Handelingen] 13:14 te beginnen: “Doch
zelf gingen zij van Perge verder en kwamen te Antiochië in Pisidië, en op Yom Shabat [de sabbatdag] in de synagoge gegaan
zijnde, namen zij plaats”. In hetzelfde hoofdstuk lezen wij in de verzen 42
tot 44: “En toen zij vertrokken, verzochten zij hun tegen de eerstvolgende Shabat weder deze woorden te spreken. En na het
uitgaan van de synagoge, volgden vele van de Joden en de vereerders van G’d,
die Jodengenoten waren, Sha’ul [Paulus] en Bar-Naba [Barnabas], die dan ook tot hen spraken en
bij hen aandrongen om te blijven bij de genade G’ds. En de volgende Shabat kwam bijna de gehele stad bijeen om het woord
G’ds te horen”. En zo bleef het ook meer dan 400 jaren lang. Het was
vanzelfsprekend, dat de gelovigen de Shabat
heiligden overeenkomstig het gebod van de Allerhoogste. Hij heeft immers nooit
gezegd, dat je de Shabat slechts hoefde te
houden tot de dag dat de Mashiach [Messias] zou
komen. Neen! Het is een eeuwigdurende inzetting!
Yeshua heeft het houden van de Shabat niet stopgezet, ook niet een dag opgeschoven,
en Zijn Vader is eveneens nooit van gedachte veranderd! Hij heeft nooit gezegd,
dat de Shabat nu maar door de zondag vervangen
moest worden. Dat deden mensen die zich christenen noemden, maar het niet
waren, omdat afgoderij en antisemitisme hun voornaamste motieven daarvoor waren
(keizer Constantijn en diverse pausen). Om deze stap achteraf toch nog te
legitimeren, worden de twistgesprekken van Yeshua
met sommige (niet alle!) P’rushim [Farizeeën]
aangehaald in een poging aan te kunnen tonen, dat zelfs ook Yeshua grote problemen met het houden van de Shabat gehad zou hebben en ervan vond dat het daar
maar mee afgelopen moest zijn. Maar was dat wel zo?
Yeshua
en de shabat
Zelfs xy>mh
iv>y Yeshua haMashiach [Jezus Christus], de mensgeworden
Zoon van de Allerhoogste, heeft de Shabat
geëerbiedigd, door pas op de eerste dag der week op te staan uit de dood maar
gedurende de gehele Shabat te rusten in het
graf! Is de slaaf meer dan zijn Meester? Behoren wij niet net zo te wandelen
als Hij heeft gedaan, als wij zeggen dat we in Hem blijven? Er zijn talrijke
plausibele passages in h>dxh tyrb B’rit
haChadasha [het Nieuwe Testament], welke eenstemmig betuigen dat Yeshua haMashiach principieel de nauwkeurige
inachtneming van de Shabat als hvjm Mitz’va [bijbels gebod] erkende. In
vhyttm Matityahu [Matthéüs] 24:20 b.v. geeft
Yeshua aan Zijn Talmidim
[discipelen] het advies: “Bidt dat uw vlucht niet in de winter valle en niet op
een Shabat”, en in Marcus 1:21 lezen wij: “En
zij kwamen te K’far-Nachum [Kapernaüm] en terstond op de Shabat ging
hij naar de synagoge en leerde”. Deze woorden bewijzen niet slechts Yeshua’s gebondenheid aan het Joodse leer- en
bedehuis, de sjoel, maar ook Zijn strikte naleving van het Techumvoorschrift (Talmud-tractaat
Erubin 4:3), dat wandelingen op de Shabat beperkt tot 2000 ellen buiten het Shabatgebied, dat in het algemeen beperkt is tot het
gebied van een stad of een dorp. Yeshua ging
dus de stad in nog vóór het aanbreken van de Shabat
om de dienst in de sjoel bij te kunnen wonen. Lucas verhaalt in zijn vierde
hoofdstuk vers 16: “En Hij kwam te Natzeret
(Nazaret), waar Hij opgevoed was, en Hij ging volgens Zijn gewoonte op Yom Shabat [de sabbatdag] naar de synagoge en stond
op om voor te lezen”. In het zelfde hoofdstuk staat: “Hij daalde af naar
K’far-Nachum [Kapernaüm] een stad in de Galil [Galilea], en Hij leerde hen geregeld
op de Shabat” (vers 31). Weet u, als Yeshua iemand was geweest, die zo nu en dan wel eens
de Shabat had geschonden, laat staan als Hij in
Zijn prediking had opgeroepen tot schending of zelfs afschaffing van de Shabat, zoals sommigen beweren, dan zou de Hoge Raad,
het Sanhedrin, niet in verlegenheid zijn
geraakt bij het zoeken naar een reden om Hem ter dood te veroordelen. Moshe [Mozes] zegt immers in Sh’mot
[Exodus] 31:14 ondubbelzinnig: “Wie de Shabat
ontheiligt, zal zeker ter dood gebracht worden”. In Marcus 14:55 lezen we
echter: “De overpriesters nu en de hele Raad trachtten een getuigenverklaring
tegen Yeshua te vinden om Hem ter dood te
kunnen brengen, maar
zij vonden er geen”. De hogepriesters in Jeruzalem konden Yeshua met de beste wil van de wereld niet betrappen
op een verboden handeling, hetzij op de Shabat,
hetzij bij een of ander vergrijp jegens de Tora of
de Halacha. In vhyttm Matit’yahu [Matthéüs] 26:59 zien wij,
dat zij daarom zelf dingen gaan verzinnen: “De overpriesters en de gehele
Raad trachtten een vals getuigenis
tegen Yeshua te vinden om Hem ter dood te
brengen, maar zij vonden er geen, hoewel er vele valse getuigen optraden”. De
noodzaak van het Sanhedrin om valse getuigen in
te huren, duidt ondubbelzinnig zowel op Zijn onschuld als ook op Zijn trouw
jegens de Tora. Geen wonder! Want Yeshua was helemaal geen onverschillige Jood die in
de marge leefde, maar een echte Rebbe
[wonderrabbi], wiens menszijn niet gescheiden kan worden van Zijn Jood-zijn.
Twistgesprekken
over de shabat
Ondanks de boven genoemde feiten worden er, om de
afschaffing van de Shabat door de Kerk te
rechtvaardigen, nog steeds de zogenaamde twistgesprekken van Yeshua met de P’rushim
[Farizeeën] aangehaald. Maar is dit wel het juiste woord? Was er wel sprake van
een twist of was het veeleer een discussie over actuele vragen van rabbijnen
onder mekaar, zoals dit ook vandaag de dag nog gebruikelijk is? Kwam Yeshua inderdaad regelmatig in botsing met hen op het
punt van de Shabat? Heeft Hij een geheel nieuwe
visie op de Shabat gegeven of heeft Hij reeds
bestaande opvattingen hieromtrent alleen maar nader toegelicht? Om deze vragen
te kunnen beantwoorden, moeten we de bewuste teksten nog eens heel kritisch lezen.
Werken
van noodzakelijkheid
“Te dien tijde ging Yeshua op de Shabat door de
korenvelden en zijn Talmidim [discipelen] kregen honger en begonnen
aren te plukken en te eten. Maar toen de P’rushim (Farizeeën) dit
zagen, zeiden zij tot Hem: Zie, uw discipelen doen wat men op Shabat niet mag doen.
En Hij zeide tot hen: Hebt gij niet gelezen wat David gedaan heeft,
toen hij en die met hem waren honger kregen? Hoe hij het huis G’ds binnengegaan
is en zij de toonbroden hebben gegeten, waarvan hij noch die met hem waren
mochten eten, doch alleen de Kohanim [priesters]? Of
hebt gij niet gelezen in Tora [de wet], dat op de Shabat de Kohanim in >dqmh=tyb Beit haMiq’dash [de tempel] de Shabat schenden zonder
schuldig te zijn? Maar Ik zeg u: Meer dan Beit haMiq’dash is hier. Indien
gij geweten hadt, wat het zeggen wil: Barmhartigheid wil Ik en geen offerande,
dan zoudt gij geen onschuldigen hebben veroordeeld. Want Ben haAdam [de Zoon des mensen]
is heer over de Shabat!” (vhyttm Matit’yahu [Matthéüs] 12:1-8,
vergelijk Marcus 2:23-28 en Lucas 6:1-5). - Heeft Yeshua
tegen de P’rushim gezegd dat Zijn vrienden zich
van het vierde gebod niets hoefden aan te trekken omdat Hij toch maar van
mening was dat de Shabat afgeschaft en door de
zondag vervangen mocht worden? Neen! Wat Yeshua
hier aantoonde was, dat werken van noodzakelijkheid en werken van
barmhartigheid volgens de Tora op Shabat wel degelijk geoorloofd zijn en men
hieromtrent geen gewetensbezwaren hoeft te hebben. Zijn zorgvuldige verklaring
van het vierde gebod duidt de altijddurende verplichting aan van het
G’dsdienstig waarnemen van de zevende dag als een heilige Shabat. Hij deed dit op rabbijns niveau onder aanhaling
van enkele Torateksten: ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 23:25, a lavm> Sh’mu’el alef [1 Samuël] 21:1-6, arqyv Vayiq’ra [Leviticus] 24:9, rbdmb Bamid’bar [Numeri] 28:9-10 alsook a lavm> Sh’mu’el alef [1 Samuël] 15:22 en i>vh Hoshea [Hosea] 6:6. Yeshua
zou geen Wet verklaard hebben, die bestemd was om opgeheven te worden, maar Hij
heeft ongetwijfeld bedoeld een punt vast te stellen, dat van nut zou wezen voor
de gelovigen in alle eeuwen; en zo moet het ons leren, dat ook voor de
christenen (niet slechts de Joden) de Shabat
wel onder de aanwijzing is van het vierde gebod, maar niet onder de verplichtingen
die mensen daaraan hebben toegevoegd. Marcus brengt dit aspect in zijn versie
van deze gebeurtenis nog scherper naar voren: “En het
geschiedde, dat Hij op de Shabat door de korenvelden ging en zijn discipelen begonnen onder
het gaan aren te plukken. En de P’rushim [Farizeeën] zeiden tot Hem: Zie, waarom doen zij op de Shabat wat niet mag? En Hij
zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen wat David gedaan heeft, toen de nood drong en hij en die met hem
waren, honger kregen? Hoe hij onder het hogepriesterschap van Av’yatar [Abjatar] het huis
G’ds binnengegaan is en de toonbroden gegeten heeft, waarvan niemand mag eten
dan de priesters, en hij ze ook aan degenen, die met hem waren, gegeven heeft?
En Hij zeide tot hen: De Shabat is gemaakt om de mens, en niet de mens om de Shabat. Alzo is Ben haAdam [de Zoon des
mensen] heer ook over de Shabat.” (Marcus 2:23-28). Yeshua
stelde zich hier niet tegenover de Joodse traditie, maar Hij hanteerde juist de
rabbijnse juridische bewijsvoering. Hij zei niet dat het houden van de Shabat op zich verkeerd zou zijn en dus maar
afgeschaft moest worden, maar legt juist uit wat het eigenlijke doel van de Shabat is. Yeshua
maakt met het voorbeeld van David duidelijk dat
de Shabat niet als een starre wet bedoeld is,
waardoor je als het ware op je tenen moet lopen. Neen, de Shabat is gegeven als een voorrecht, als iets goeds.
De Shabat mag geen last, geen tiran zijn, maar
hij is er ten dienste van de mens. Daarom zei Yeshua
ook: “De Shabat is gemaakt om de mens, en niet de mens om de Shabat.” Hij gaf daarmee
geen nieuwe visie op de Shabat, want bijna dezelfde woorden vinden wij ook terug in de Talmud: “De Shabat is u gegeven, en
niet gij aan de Shabat.” (Mechil’ta Ex. 31:13; B. Yoma 85b). Door Zijn
uitspraak, dat de Zoon des mensen ook Heer over de Shabat
is, laat Hij meteen ook zien wie de Wetgever is: Hijzelf! Hij wil dat wij G’ds
geboden beleven in het kader van barmhartigheid. Het moet ons in de eerste
plaats gaan om een relatie van liefde tot G’d en onze naaste.
hkalm
M’lacha
Maar wie gefixeerd is op regels, krijgt automatisch
een kritische instelling zoals de P’rushim
[Farizeeën] in het bovenstaande verhaal. Zij stoorden zich hier aan het gedrag
van de Talmidim [discipelen] van Yeshua, die door het plukken en met hun handen stuk
wrijven van de aren M’lacha deden. Het woord hkalm M’lacha staat in de Tora genoemd,
en daarmee wordt elke activiteit bedoeld die nodig was voor de bouw van ]k>m Mis’kan [de tabernakel]. M’lacha,
in het Jiddisch “Melocho” genoemd, wordt
omschreven als een handeling van een mens door de constructieve beoefening van
zijn intelligentie en bekwaamheden, of anders gezegd: de uitvoering van een
idee aan een voorwerp door de kunstvaardigheid van de de mens. M’lacha is het product van overleg, bedoeld, bij
volle bewustzijn verricht, met de noodzakelijke middelen, kortom een creatieve,
actieve menselijke geest. Op Shabat is M’lacha
niet toegestaan. Zulk werk is een schending van de Shabat
en zo is men ertoe gekomen om het begrip M’lacha
te verdelen in 39 M’lachot, die ieder weer
gespecificeerd zijn. De Mishna noemt de 39
werkzaamheden die M’lacha zijn en de andere
werkzaamheden die daar weer van afgeleid zijn (Tol’dot):
1.
zaaien,
2.
ploegen,
3.
maaien en afsnijden
of plukken
4.
losse producten
bijeenzamelen,
5.
dorsen, iets
losmaken en afsnijden (dus ook melken of persen),
6.
wannen,
7.
uitzoeken,
8.
malen (dus ook
fijnsnijden of -stampen)
9.
zeven (dus ook
filteren)
10. kneden,
11. bakken (dus ook
braden en koken),
12. wol afscheren
(dus ook baard, hoofdhaar en nagels knippen)
13. wol
schoonwassen
14. wol uitkloppen
15. wol verven
16. wol spinnen
17. scheringsdraden
opspannen,
18. twee
doorhaallussen maken,
19. twee inslagdraden
weven,
20. twee draden
splijten,
21. een knoop
leggen,
22. een knoop
losmaken,
23. twee steken
naaien,
24. scheuren met de
bedoeling om twee steken te naaien,
25. een hert
vangen,
26. een hert
slachten,
27. een hert de
huid stropen,
28. de huid van een
hert inzouten,
29. de huid van een
hert looien,
30. van leer haar
afkrabben of lijnen inkrassen (dus ook schaatsen)
31. leer in vorm of
maat afsnijden,
32. twee letters
schrijven,
33. schrift
uitwissen,
34. bouwen,
35. afbreken met
het doel om weer te bouwen,
36. vuur
uitblussen,
37. vuur ontsteken
(dus ook onze moderne elektrische apparaten aan- of uitzetten),
38. de laatste slag
doen met de hamer, dat is de laatste hand aan werk leggen,
(dus iets afmaken waar men aan begonnen is),
39. overbrengen van
een terrein naar andere terreinen (en terug).
Men kent ook het begrip hjqvm Muq’tza; dit betekent dat een voorwerp niet in de
handen genomen mag worden en niet bewogen, omdat daarmee M’lacha gedaan kan worden. De Muq’tza is uit voorzorg door de rabbijnen ingesteld. Extreme
voorbeelden voor de tvdlvt Toladot, de van de M’lacha afgeleide
werkzaamheden zijn o.a. het afscheuren van w.c.-papier. Daarom ligt er in de
w.c.’s van orthodoxe Joden speciaal van te voren afgescheurde velletjes
w.c.-papier klaar voor gebruik op Shabat.
Hieruit wordt duidelijk, dat je met de invulling van het werkverbod op Shabat heel ver kan gaan. Waar ligt de grens? Yeshua herinnerde de P’rushim
eraan, dat zelfs de Kohanim (priesters) de Shabat schonden. Hij wees op het dagelijks voorbeeld
van de priesters, waarvan zij evenzeer in Tora
lazen. In de tempel deden de priesters zeer veel werk op de Shabat, daar zij offerdieren slachtten, van de huid
ontdeden en verbrandden, deden dus M’lacha,
hetgeen in een gewoon geval een ontheiliging van de Shabat
zou zijn. Toch werd dit nooit als een overtreding van het vierde gebod
aangezien, want de tempeldienst eiste en rechtvaardigde dit. Hierdoor wordt
aangetoond, dat noodzakelijk werk op Shabat
wettig en geoorloofd is, niet slechts tot onderhoud van het leven, maar voor de
dienst aan de Eeuwige. En indien Yeshua Heer is
over de Shabat is het voegzaam, dat die dag en
al het werk van die dag, Hem gewijd zullen zijn. Krachtens deze Hem opgedragene
macht stelt Yeshua hier vast, dat werken van noodzakelijkheid, indien zij dit werkelijk zijn, en
niet voorwendsels of door ons zelf geschapene noodzakelijkheid, op Shabat verricht mogen worden, en deze uitleg van de Tora toont duidelijk aan, dat zij bestendigd zal
worden. Hoewel Yeshua dus werken van
noodzakelijkheid toeliet op Shabat, wil Hij
toch, dat wij zullen weten en gedenken, dat het Zijn dag is, en daarom in Zijn
dienst en tot Zijn eer besteed dient te worden.
Werken
van barmhartigheid
Behalve werken der noodzakelijkheid zijn ook werken
van barmhartigheid toegestaan. Alle Shabatwetten
worden namelijk aan kant gezet als men een leven moet redden, bijvoorbeeld als
iemand (mens of dier) in het water valt. Dan is men verplicht om hem te redden
ook al overtreedt men daarmee het draagverbod. Men mag de drenkeling zelfs met
de auto naar een ziekenhuis brengen als dat voor zijn levensbehoud nodig is. Op
Shabat rijdt men normaal gesproken geen auto
omdat de auto Muq’tza is. De eerbied voor het
leven heeft dus tot gevolg dat zodra ziekte of levensgevaar in het geding zijn,
het werkverbod opgeheven wordt. Daarom komen wij in de Talmud
ook de volgende regel tegen: “Ontheilig ten behoeve van hem één Shabat, opdat hij nog vele Shabatot
moge vieren.” (B. Shabat 151; B. Yoma 85b). In het Nederlands bestaat de gezegde:
“Nood breekt wetten”. En dat is ook zo! Yeshua
maakte dit duidelijk door de diverse genezingen, die Hij op Shabat verrichtte. In vhyttm Matit’yahu [Matthéüs] 12:9-14 lezen wij b.v.: “En Hij vertrok van die plaats en ging in hun synagoge. En
zie, daar was een mens met een verschrompelde hand. En zij legden Hem de vraag
voor, of het geoorloofd is op de Shabat te genezen, om Hem te kunnen aanklagen. Maar Hij zeide tot
hen: Wie zou er onder u zijn, die een schaap heeft en die, als dit op een Shabat in een put valt, het
niet grijpen zal en eruit trekken? Hoeveel gaat niet een mens een schaap te
boven? Derhalve is het geoorloofd op de Shabat wel te doen. Toen zeide Hij tot die mens: Strek uw hand
uit. En hij strekte haar uit en zij werd weder gezond gelijk de andere”. Yeshua deed met Zijn antwoord op hun vraag een beroep op hun
eigen mening en praktijk: Zouden zij een schaap dat op Yom Shabat in een put valt,
niet onder zware lichamelijke inspanning er weer eruit trekken? Ongetwijfeld
zouden zij dit doen, de Tora laat dit toe! In Lucas 14:1-6 zei Yeshua in een soortgelijke
situatie bijna dezelfde woorden: “En het geschiedde, toen Hij op Shabat in het huis van een
der hoofden van de P’rushim [Farizeeën] kwam om brood te eten, dat zij nauwkeurig acht
op Hem sloegen. En zie, er stond een waterzuchtig mens voor Hem. En Yeshua antwoordde en zeide
tot de wetgeleerden en Farizeeën, zeggende: Is het geoorloofd op de Shabat te genezen of niet?
En zij hielden zich stil. En Hij vatte hem bij de hand en Hij genas hem en liet
hem gaan. En Hij zeide tot hen: Als een zoon of een os van iemand van u in een
put valt, wie zal hem er dan niet terstond
uittrekken ook op Yom Shabat [de sabbatdag]? En zij waren niet in staat iets daartegen
in te brengen”. Yeshua voegde hier zelfs
het woordje terstond in om te
benadrukken dat men het niet zou uitstellen tot na de Shabat, opdat het dier of
de persoon niet zou omkomen! Ook in Lucas 13:10-17 was Yeshua niet in overtreding
van het vierde gebod, maar baseerde zich op een door de rabbijnen algemeen
aanvaarde regel, dat het geoorloofd is om vee los te maken op Shabat om het in staat te
stellen te eten en te drinken: “Hij was bezig te leren in een der synagogen
op Shabat.
En zie, er was een vrouw, die reeds achttien jaren een geest van zwakheid had
en verkromd was en zich in het geheel niet kon oprichten. Toen Yeshua haar zag, sprak Hij
haar toe en zeide tot haar: Vrouw, gij zijt verlost van uw zwakheid; en Hij
legde haar de handen op, en terstond richtte zij zich op en zij verheerlijkte
G’d. Maar de overste der synagoge, het kwalijk nemende, dat Yeshua op de Shabat genas, antwoordde en
zeide tot de schare: Zes dagen zijn er, waarop gewerkt moet worden, komt dan om
u te laten genezen en niet op Yom Shabat [de sabbatdag]. Maar de Here antwoordde hem en zeide:
Huichelaars, maakt ieder van u niet op de Shabat zijn os of zijn ezel van de kribbe los en leidt hem weg om
hem te laten drinken? Moest deze vrouw, die een dochter van Avraham is, welke de satan,
zie, achttien jaar gebonden had, niet losgemaakt worden van deze band op Yom Shabat? En toen Hij dit
zeide, schaamden zich al zijn tegenstanders, en de gehele schare verheugde zich
over al de heerlijke dingen, die door Hem geschiedden”. Zij schaamden zich omdat Yeshua zich beriep op het gewone gebruik onder de Joden, dat door
niemand afgekeurd werd. Hij had genoegzaam bewezen, dat het niet slechts
geoorloofd, maar uiterst recht en voegzaam, dus een Mitz’va was, om deze arme
vrouw op Shabat
te genezen, en wel openlijk in de sjoel, de synagoge, opdat allen getuigen
zouden zijn van het wonder.
Conclusie
Het is dus beslist niet waar, dat men op Shabat helemaal niets mag doen! Zowel Yeshua alsook de Talmud
leren ons, dat óók binnen het orthodoxe Jodendom werken van noodzakelijkheid en
werken van barmhartigheid zonder meer zijn toegestaan. Hetzelfde Hebreeuwse woordje
dcx Chesed betekent zowel g’dsvruchtig
en vroom alsook genadig en barmhartig, om aan te duiden, dat werken van barmhartigheid
in zekere zin ook werken der g’dsvrucht zijn, dus zeer betamelijk op Shabat. Wat kunnen wij leren uit bovenstaande
voorbeelden? Op de eerste plaats concluderen wij, dat Yeshua
op geen enkele wijze gesuggereerd heeft dat de Shabat
ooit vervangen zou worden door een andere dag, namelijk de zondag. Verder heeft
Hij nooit beweerd, dat het vierde gebod niet meer van toepassing zou zijn. Wat Yeshua wèl duidelijk naar voren bracht is, dat de Shabat niet als een starre wet bedoeld is, vol met regels
wat men allemaal wel of niet mag doen, maar als een kostbaar geschenk aan ons,
een voorrecht, als iets goeds! Het is waar: Yeshua
heeft ons vrijgemaakt van de wet, maar wij behoren wel zorgzaam te wezen om die
vrijheid niet te misbruiken, of haar in losbandigheid te verkeren. Zie hoe
gunstrijk de Eeuwige voor ons is, dat Hij ons op de zevende dag der week tijd
toestaat voor verkwikking van het lichaam, om na een drukke werkweek weer even
op adem te komen. Maar in plaats van dankbaar dit voorrecht te aanvaarden,
geeft men de voorkeur aan een andere dag, de zondag. Als Sha’ul ons leert, dat wij door het offer van Yeshua niet meer gebonden zijn aan al die wetjes en
regeltjes die door de rabbijnen zijn ingesteld, dan wil dat nog niet zeggen,
dat wij ook zomaar G’ds wetten opzij mogen schuiven! Laat dit goed tot ons
doordringen! Ook christenen dienen zich aan het vierde gebod te houden. Laten
wij derhalve de Shabatrust tot voordeel zijn
voor zowel ons lichaam alsook voor de innerlijke mens. Want zonder de storende
invloed van allerlei bezigheden kan een mens zich beter op zijn Schepper
richten. Dan komt men er gemakkelijker toe om na te denken, te danken en te
bidden. Yeshua, maar ook Zijn Talmidim (discipelen), Sha’ul
[Paulus] en de andere Sh’lihim
[apostelen] brachten steeds hun Shabatot
[sabbatten] door in de synagogen. Wij moeten er een gewetenszaak van maken om
dit eveneens te doen (natuurlijk niet in de synagoge, maar in de gemeente of
desnoods in een huisgemeente, want waar twee of drie in de naam van Yeshua bij elkaar zijn, daar in de Heer in hun
midden), als wij er de gelegenheid toe hebben, en niet te denken dat wij
de gehele Shabat evengoed thuis met het lezen
van een goed boek, voor de televisie of op het voetbalveld kunnen doorbrengen,
want de g’dsdienstige Shabatsamenkomsten zijn
een g’ddelijke instelling, waarvoor wij moeten getuigen, al is het dan ook
slechts met twee of drie. Het is dus onze plicht om, als wij er de gelegenheid toe hebben, de Shabat
te heiligen in g’dsdienstige samenkomsten, en zonder geldige reden behoort onze
plaats niet ledig te wezen: “Zes dagen mag arbeid
verricht worden, maar op de zevende dag
zal er een volkomen Shabat zijn: een heilige
samenkomst; generlei arbeid zult gij verrichten, het is een Shabat voor de Eeuwige in
al uw woonplaatsen”. (arqyv Vayiq’ra [Leviticus] 23:3). Yeshua leerde op de Shabat in de synagoge.
Onderwijs geven en van Yeshua ontvangen is een zeer voegzaam werk op Shabat, en juist in de
synagoge, die in het Jiddisch niet voor niets ‘sjoel’ [Schule], dus ‘school’
wordt genoemd. Er zijn meerdere wijzen van weldoen op Shabat dan de
eredienst bijwonen. Werken van barmhartigheid die wij als gelovigen op Shabat kunnen doen
zijn zieken en eenzamen bezoeken, of hulp verlenen aan hulpbehoevenden. Dit is
namelijk weldoen uit een beginsel van liefde en barmhartigheid, met ootmoed en
zelfverloochening en hemelsgezindheid van geest, en het zal welgevallen vinden
bij de Eeuwige. Voor de viering op vrijdagavond en zaterdagmiddag thuis is er
een liturgie, en daarnaast is het aan te bevelen om een messiasbelijdende
Joodse gemeente te bezoeken voor de zaterdagochtenddienst.
De wekelijkse Shabat
is een schaduw van de komende Shabat; het
duizendjarig Vrederijk! Maar door het offer van Yeshua
mogen wij eens de eeuwige Shabat ingaan, mits
wij Hem hebben aangenomen als Heer en Verlosser, en mits wij gehoorzaam zijn
aan de geboden van Zijn Vader, die dus niet buiten werking zijn gesteld! De schrijver van de
Hebreeënbrief wil ons daarom waarschuwen: zoals het volk Israël tot de dag van
vandaag geen rust heeft gevonden vanwege de ongehoorzaamheid aan G’ds wetten,
zo heeft ook de gemeente van Yeshua tot de
huidige dag geen rust gevonden vanwege diezelfde ongehoorzaamheid: de diverse
Kerkscheuringen, de verdeeldheid van de christenen in ontelbare denominaties en
sekten, de inquisitie en geloofsoorlogen, de onverdraagzaamheid en dikwijls
zelfs haat tussen christenen van verschillende kerken zoals in Noord-Ierland
getuigen daarvan. Deze onrust wordt ook gekenmerkt door een typisch
verschijnsel van de laatste tijd: de vele “zwervers”, mensen die van de ene
kerk of gemeente naar de andere gaan, daar een tijdje blijven en dan weer
vertrekken, steeds op zoek naar “de ware gemeente”, waar men eindelijk tot rust
kan komen. Het geloof in Yeshua alléén is dus
geen garantie, de eeuwige rust te mogen ingaan. Geloof, maar óók gehoorzaamheid
aan G’ds geboden zijn beiden
noodzakelijk! Yeshua heeft ooit gezegt: “Niet
een ieder, die tot Mij zegt:
Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil Mijns Vaders, die in
de hemelen is” (vhyttm Matit’yahu [Matthéüs] 7:21). Laten wij
derhalve de ernstige waarschuwing in ,yrbi Ivrim [Hebreeën] 3:15-19 en
4:1-13 serieus nemen: “Wie waren het dan, die,
hoewel zij de stem gehoord hadden, G’d verbitterden? Waren dat niet allen, die
onder Moshe
[Mozes] uit Egypte waren uitgegaan? En van wie heeft Hij een afkeer gehad,
veertig jaren lang? Was het niet van hen, die gezondigd hadden en wier lijken
in de woestijn lagen? Aan wie anders zwoer Hij, dat zij tot Zijn rust niet
zouden ingaan, dan aan hen, die ongehoorzaam geweest waren? Zo zien wij, dat
zij niet konden ingaan wegens hun ongeloof. Laten wij daarom op onze hoede
zijn, dat niemand van u, terwijl nog een belofte van tot Zijn rust in te gaan
bestaat, de indruk zou wekken achter te blijven. Want ook ons is het evangelie
verkondigd evenals hun, maar het woord der prediking was hun niet van nut,
omdat het niet met geloof gepaard ging bij hen, die het hoorden. Want wij gaan
tot de rust in, wij, die tot geloof gekomen zijn, zoals Hij gesproken heeft:
gelijk Ik gezworen heb in mijn toorn: Nooit zullen zij tot Mijn rust ingaan, en
toch waren Zijn werken van de grondlegging der wereld af gereed. Want Hij heeft
ergens van de zevende dag aldus
gesproken: ‘En G’d rustte op de zevende
dag van al Zijn werken’; en hier wederom: ‘Nooit zullen zij tot Mijn rust ingaan’.
Aangezien nog te wachten is, dat sommigen tot die rust zullen ingaan, en zij,
die het evangelie eerst ontvangen hebben, niet ingegaan zijn wegens hun
ongehoorzaamheid, stelt Hij wederom een dag vast, heden, als Hij door David na zo lange tijd
spreekt, zoals boven gezegd werd: ‘Heden, indien gij zijn stem hoort, verhardt
uw harten niet’. Want indien Yehoshua [Jozua] hen in de rust gebracht had, zou Hij niet meer
over een andere, latere dag gesproken hebben. Er blijft dus een Shabatsrust (let op: er staat hier niet: zondagsrust!!!)
voor het volk van G’d. Want wie tot
Zijn rust is ingegaan, is ook zelf tot rust gekomen van zijn werken, evenals
G’d van de Zijne. Laten wij er dus ernst mede maken om tot die rust in te gaan,
opdat niemand ten val kome door dit voorbeeld van ongehoorzaamheid te volgen. Want het woord G’ds is levend en
krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zo diep,
dat het vaneen scheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen en gedachten des harten; en geen schepsel
is voor Hem verborgen, want alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen
van Hem, voor wie wij rekenschap hebben af te leggen.”
Aansluitend op deze bijbelstudie wil ik ook nog vermelden dat de Sabbat Stichting een informatiefolder heeft uitgegeven, waaruit ik graag het een en ander wil citeren: “De Sabbat vormt het sluitstuk van G’ds scheppingswerk. Op de vijfde dag zegt Hij: ‘het is goed’. Op de zesde dag: ‘het is zeer goed’ en op de zevende dag: ‘dit is heilig’. Adam rust met G’d op de eerste Sabbat van de wereldgeschiedenis en de mens wordt geacht dat wekelijks te doen tot in alle eeuwigheden. Het gaat pas mis als Adam en Eva eigenmachtig wijzigingen aanbrengen in G’ds adviezen, daartoe aangezet door satan. Ook op het moment dat G’d Zijn tien geboden aan de mens geeft in de Sinaï, zien we dat de mens het werk van eigen hand, het gouden kalf, verkiest boven de rust in G’d. Zij maken een andere feestdag voor de HERE (Exodus 32:5). Het Nieuwe Testament leert dat Jezus G’ds wet op een volmaakte manier heeft gehouden. Hij toonde Zich daarmee solidair met G’ds schepping, zelfs tot in de dood. Daarmee neemt Hij de zonde van de wereld op Zich. Als Jezus sterft roept Hij: ‘Het is volbracht!’ Jezus rust in het graf (tijdens de Sabbat) en staat vervolgens weer op om aan Zijn nieuwe werk te beginnen (ná de Sabbat). Wij kunnen kiezen Hem daarin te volgen, of eigenmachtig een werkdag omdopen tot rustdag en daarmee G’ds heilige werk trachten te ‘verbeteren’. Zoals Adam en Eva in het paradijs en zoals het volk Israël in de Sinaï. Sabbat vieren, hoe dan? Het is heel eenvoudig. G’d heeft in 10 regels duidelijk gemaakt hoe we op aarde kunnen proeven van het geluk dat Hij ons wil geven. Het vieren van de zaterdag als Sabbat vormt een belangrijk onderdeel van die geboden. Een monument van G’ds schepping dat we altijd bij ons kunnen hebben, wie we ook zijn of waar we ook zijn. G’ds opdracht aan ons is heel eenvoudig. In het paradijs zijn we begonnen daarvan af te wijken en dat doen we nog steeds. De niet te doorgronden vergevingsgezindheid van G’d maakt het ons mogelijk onze verkeerde keuzes te herzien. Ook als die keuzes verbonden zijn met jarenlange tradities en wanneer het wijzigen ervan grote consequenties kan hebben voor ons sociale leven. Sabbatvieren kan op eigen gelegenheid of door aansluiting te zoeken bij gelovigen die de zaterdag als Sabbat vieren.” - Tot zover het citaat uit de folder van de Sabbat Stichting. Moge de Eeuwige ook u op het hart leggen om met blijdschap in het hart de door G’d zelf geheiligde Shabat te vieren, waarin de verwachting van de spoedige komst van onze Mashiach tot uitdrukking komt.
,vl> tb> Shabat Shalom - Gut Schabbes!
Werner
Stauder