003. Bijbelstudie over
hvhy
Uit de recente gebeurtenissen in Israël en uitspraken van politici blijkt,
dat de strijd om Jeruzalem, die door de profeten voor de eindtijd (dat is de
tijd die aan de komst van de Mashiach [Messias]
voorafgaat), werd aangekondigd, reeds is begonnen! Dagelijks zien wij in het
journaal beelden van rellen, moorden en bomaanslagen met als inzet Jeruzalem!
Maar zoals gezegd: dit is nog maar het begin! Het komt nog veel erger, want op
dit moment wordt de strijd nog slechts gevoerd tussen Israeli's en Palestijnen,
maar zoals reeds de profeet Zechar’ya
[Zacharia] voorspelde, zullen uiteindelijk alle volken der aarde
zich met deze strijd gaan bemoeien en partij kiezen voor de Palestijnen. De
sterke legers van de Verenigde Naties zullen dan oprukken tegen Jeruzalem en
genadeloos dood en verderf zaaien! Het Joodse volk dreigt opnieuw uitgeroeid te
worden, maar als hun benauwdheid het hoogtepunt bereikt heeft, dan zal het
profetisch woord uit lavy Yo’el (Joël) 2:32 uitkomen: "En
het zal geschieden, dat ieder die de Naam van de Eeuwige aanroept,
behouden zal worden, want op de berg Tziyon en
te Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals de Eeuwige gezegd heeft; en tot de
ontkomenen zullen zij behoren, die de Eeuwige zal roepen". Dat en
alléén dat is de redding voor de Joden: het aanroepen van G’ds Naam! Maar dit
is juist het grootste probleem: het uitspreken van de heilige Naam is in het
Jodendom immers verboden! En al zou dit verbod er niet zijn, dan komt het
volgende probleem: hoe luidt de Naam van Eeuwige precies? Wie het weet mag het
zeggen!
Reeds in !’’nt TeNaCH
[het Oude Testament] werd G'd drie keer naar Zijn Naam gevraagd. De eerste keer
was het Ya'aqov [Jakob], die ernaar vroeg: "Daarop
vroeg Ya'aqov [Jakob]: Zeg mij toch Uw naam.
Maar Hij antwoordde: Waarom vraagt gij toch naar Mijn Naam? En Hij
zegende hem daar. En Ya'aqov [Jakob] noemde de
plaats lainp P'ni'el [aanschijn van G'd], want, zeide
hij, ik heb G'd gezien van aangezicht tot aangezicht en mijn leven is behouden
gebleven" (ty>arb B'reshit [Genesis] 32:29-30). Maar ook Manoach,
de vader van Shim’shon [Simson] krijgt
letterlijk hetzelfde antwoord op zijn vraag: "Hoe is Uw Naam, want,
wanneer uitkomt, wat Gij gezegd hebt, dan willen wij U eren. Maar de Engel van
de Eeuwige zeide tot hem: Waarom vraagt gij naar Mijn Naam? Immers, toch
die is wonderbaar" (,yup> Shof'tim
[Richteren] 13:17-18). Dat deze Engel niemand anders dan de Eeuwige zelf was,
blijkt uit vers 22, waarin Manoach tot zijn vrouw
zegt: “Wij zullen zeker sterven, want wij hebben G'd gezien". In beide
gevallen weigerde de Eeuwige op de vraag naar Zijn Naam in te gaan. In feite
zegt Hij: hoe durf je zoiets te vragen? Deze uitdrukkelijke weigering om Zijn
Naam bekend te maken ontbrak echter in het derde geval, toen Moshe [Mozes] de Eeuwige naar Zijn Naam vroeg: "Toen
zeide G'd tot Moshe: Ik ben, die Ik ben"
(tvm> Sh'mot [Exodus] 3:14). Het antwoord luidt dus zonder
meer: Ik ben die Ik ben! Is dat een weigering? Neen, zeker niet! Maar waarom
krijgt Moshe een ander antwoord dan Ya'aqov en Manoach?
Welnu, beiden vroegen onverholen: “Wat is Uw naam?” Wat neerkomt op:
“Wie bent U eigenlijk?” Moshe formuleerde zijn
vraag echter heel anders: “Daarop
zeide Moshe tot G’d: Maar wanneer ik tot de Israëlieten kom en hun
zeg: De G’d uwer vaderen heeft mij tot u gezonden, en zij mij vragen: Hoe is
Zijn Naam?, wat moet ik hun dan antwoorden? Toen zeide G’d tot Moshe: Ik ben, die
Ik ben. En Hij zeide: Aldus zult gij tot de Israëlieten zeggen: Ik ben
heeft mij tot u gezonden.” (tvm> Sh'mot [Exodus]
3:13-14). Zowel Ya'aqov alsook Manoach realiseerden zich pas achteraf met wie ze
eigenlijk hebben gesproken. Moshe daarentegen
wist heel goed met wie hij te maken had, want G'd zei reeds vanaf het begin
uitdrukkelijk: "Ik ben de G'd van uw vader" (tvm> Sh'mot
[Exodus] 3:6). Maar waarom noemde Hij niet Zijn echte Naam, maar gaf slechts
als antwoord: “Ik ben die Ik ben”? Voor het westerse taalgevoel is deze
wending moeilijk te begrijpen, maar voor Joden is dit de gewone Hebreeuwse
manier om onbepaaldheid uit te drukken. Een soortgelijke constructie komen we
bijvoorbeeld ook in tvm> Sh'mot [Exodus]
33:19 tegen: ,xra r>a=ta ytmxrv ]xa r>a=ta ytnxv V’chanoti
et-asher achon v’richam’ti et-asher arachem [Ik zal genadig zijn wie Ik genadig ben, en Mij ontfermen over wie Ik
Mij ontferm]. Ook in Romeinen 9:15 vinden wij dezelfde tekst: "Over wie Ik Mij ontferm, zal Ik Mij ontfermen, en jegens wie Ik
barmhartig ben, zal Ik barmhartig zijn". G'd bedoeld hiermee, dat Hij zich ontfermt, over wie Hij wil, de mens
heeft in deze niets te bepalen. De onbepaaldheid wordt hier uitgedrukt door een
herhaling van hetzelfde werkwoord, waarvan de twee vormen door een betrekkelijk
voornaamwoord met elkaar zijn verbonden. In tvm> Sh'mot [Exodus]
16:23 vinden wij een ander voorbeeld voor deze constructie: vl>b vl>bt=r>a tav vpa vpat=r>a ta Et asher-tofu efu v’et asher-t’vashelu
bashelu [Bakt wat gij bakken wilt
en kookt wat gij koken wilt],
hetgeen eigenlijk zoveel betekent als: doe met het manna wat je wilt. Men is
het erover eens, dat het antwoord van de Eeuwige op de vraag van Moshe [Mozes] ook een voorbeeld is van deze
Hebreeuwse constructie: hyha r>a hyha Eh'ye asher Eh'ye! ofwel “Ik ben die Ik ben” wat ook vertaald
kan worden met “Ik zal zijn die Ik was” of “Ik zal zijn die Ik zijn
zal” - en daarmee aangeeft dat G’d nooit verandert, maar onveranderlijk is,
want zijnde dat Hij is, wordt Hij geen ander, maar blijft dezelfde, die Hij van
eeuwigheid is. Dit betekent, dat de G’d van Israël eeuwig is in wezen, getrouw
in Zijn belofte en alvermogend in haar uitvoering. Dat deze constructie op
verschillende manieren vertaald kan worden moet niet zo opgevat worden, alsof
de betekenis van deze heilige woorden onzeker zou zijn. Maar omdat onze taal mist,
wat het Hebreeuws wél heeft, namelijk een vorm, die tegelijkertijd het heden en
de toekomst uitdrukt, willen onze bijbelvertalers erop wijzen, dat noch de ene,
noch de andere vertaling de betekenis van deze hoogheerlijke woorden uitput. Is
het toch de Eeuwige, die zich hier uitspreekt, en valt in het eeuwige juist het
verschil van het heden en van de toekomst weg, dan wordt er, hoe men ook zou
vertalen, altijd aan de diepere betekenis van deze Hebreeuwse woorden te kort
gedaan. Vertaalt men "Ik zal zijn", dan moet "Ik
ben" erbij gedacht worden; maar vertaalt men: "Ik ben",
dan moet "Ik zal zijn" eronder begrepen worden. (Kuyper). Deze
tijdloze identiteit van de Eeuwige komt bijzonder tot uitdrukking in de
omschrijving: abv hyh hvh avh r>a Asher Hu hove, haya vaba of ook wel: avbyv hyhv hvhh haHove v’haya v’yavo [Hij die was en die is en die komen zal]
in ]vyzx Chizayon [Openbaring] 1:4, 1:8
en 4:8. Als G’d zo van zich zelf kan zeggen: “Ik ben die Ik ben” of “Ik
ben die Ik zijn zal”, dan geeft Hij daarmee aan dat Hij de bron en
oorsprong van Zijn eigen wezen, Zijn eigen Ik is. Hij is dus de Eeuwige,
Almachtige, Zelfstandige, die het leven heeft in Zichzelf! Interessant is
hierbij, dat precies hetzelfde ook voor Yeshua
[Jezus] van toepassing is: “Want gelijk de Vader leven heeft in Zichzelf,
heeft Hij ook de Zoon gegeven leven te hebben in Zichzelf”. (]nxvy Yochanan [Johannes] 5:26). Elke twijfel over de identiteit van Yeshua wordt eveneens weggenomen als wij twee teksten
uit Openbaring met elkaar vergelijken, waarin eerst de Vader van Zichzelf
getuigt: “Ik ben de Alfa en de Omega, zegt de Eeuwige (hvhy) G’d, die is en die
was en die komt, de Almachtige.” (]vyzx Chizayon [Openbaring] 1:8), en daarna Yeshua, de
Zoon: “Ik ben de Alfa en de Omega, de eerste en de laatste, het begin en het
einde.” (]vyzx Chizayon [Openbaring] 22:13).
Ook de bekende tekst uit ,yrbi Ivrim
[Hebreeën] 13:8 zegt in feite hetzelfde, namelijk: “Yeshua
haMashiach [Jezus Christus] is gisteren en heden dezelfde en tot in
eeuwigheid”. Nu begrijpen wij dus beter, wat Yeshua
bedoelde toen Hij zei: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien” (]nxvy Yochanan [Johannes] 14:9. Maar terug tot Moshe
[Mozes], die op zijn vraag naar de naam van G’d slechts de vreemde constructie “Ik
ben die Ik ben” als antwoord kreeg. Maar hij had de vraag van de
weerspanneling onder zijn volk: "Wie heeft u tot een overste en rechter
over ons gesteld?” nog niet vergeten. Zij deed hem deze vraag doen aan G’d.
Egypte was immers vervuld van afgoden, en allen hadden hun namen. Door welke
naam mocht men dus nu de G’d van de vaderen van hen onderscheiden? Daarbij, tot
zijn volk kon hij spreken van de "G’d van hun vaderen", maar niet tot
farao. De vraag was dus billijk, en nu noemde G’d Zichzelf met een naam, die
zoveel zeggen wil als: "de ware G’d." G’d zei ermee: "Ik ben: Ik
ben het Wezen; niets heeft wezen dan in en door Mij. Ik ben de
Onveranderlijke." (Da Costa). Maar Hij liet Moshe
niet onkundig omtrent Zijn naam, want reeds in vers 15 van tvm> Sh'mot
[Exodus] 3 zegt Hij: "Aldus zult gij tot de Israëlieten zeggen: De
Eeuwige, de G'd uwer vaderen, de G'd van Avraham
[Abraham], de G'd van Yitzchaq [Izaäk] en de
G'd van Ya'aqov (Jakob) heeft mij tot u
gezonden; dit is Mijn Naam voor eeuwig en zo wil Ik aangeroepen worden van
geslacht tot geslacht".
Vragen en nog eens vragen
Hoe luidt dus de Naam van G'd? Als we de NBG-vertaling mogen geloven, dan
zou dat dus "HERE" moeten zijn. Maar is dat ook zo? Welnee! “HERE” is
slechts een titel ter vervanging van G'ds naam. De oorspronkelijke Hebreeuwse
geschriften bevatten de Naam van de Eeuwige in de vorm van vier medeklinkers: yod y he h vav v he h. Deze vier letters, die van rechts naar links zijn geschreven (hvhy), kan men als YHVH of in het
Nederlands JHWH transcriberen. Nu zitten we echter met een groot probleem: hoe
wordt die Naam precies uitgesproken? De medeklinkers zijn weliswaar bekend,
maar de vraag is welke klinkers bij deze medeklinkers horen. De klinkertekens
kwamen in het Hebreeuws namelijk pas in de tweede helft van het 1ste millennium
G.T. in gebruik. Maar ook in de klinkertekens die vanaf die tijd in Hebreeuwse
handschriften te vinden zijn, ligt niet de sleutel tot de oplossing van het
probleem, omdat reeds eeuwen daarvoor een groeiende huiver ontstond om de
heilige Naam van G'd uit te spreken. Nog meer vragen komen dus erbij: waarom
spreken de Joden G'ds Naam niet uit? Mogen zij het niet of willen zij het niet,
of kunnen zij het niet? Als zij het niet zouden mogen, dan is de volgende
vraag: waarom heeft de Eeuwige dan tegen Moshe
[Mozes] bij het noemen van Zijn Naam gezegd, dat Hij van geslacht tot geslacht
zo en niet anders aangeroepen wil worden? Is dat niet in tegenspraak met het
vermijden van het uitspreken van Zijn naam? Nog een vraag: in de eerder genoemde
tekst uit lavy Yo’el [Joël] 2:32 lezen wij, dat een ieder die de
Naam van de Eeuwige aanroept behouden zal worden. Maar hoe kan je de Naam van
de Eeuwige aanroepen als je niet eens weet hoe hij wordt uitgesproken? En hoe
zit het met Yeshua [Jezus]? Hebben wij Yeshua dan niet meer nodig als we reeds door het uitspreken
van de vierletterige Naam van Zijn Vader behouden zouden zijn? Vragen en nog
eens vragen!
hvhy JHWH - de Naam van de Eeuwige
Het feit wil dus, dat op dit moment niemand zeker weet, hoe de Naam van G'd
oorspronkelijk werd uitgesproken. Hoe komt dat? Nu, de eerste taal die bij het
schrijven van de Bijbel werd gebruikt, was zoals bekend het Hebreeuws, en
wanneer deze Hebreeuwse taal werd geschreven, gebruikten de schrijvers alleen
medeklinkers, geen klinkers! Dat is ook nu weer het geval met het moderne Ivrit. Dus met G'ds Naam deed men hetzelfde en
schreef alleen de medeklinkers op. Zolang de uitspraak van de heilige Naam bij
de Israëlieten bekend was, leverde dit geen probleem op. Als zij namelijk deze
Naam geschreven zagen staan, vulden zij de klinkers op de juiste wijze in
zonder erbij na te denken, net zoals bij alle andere woorden en namen in hun
taal. Maar toen gebeurde er iets waardoor deze situatie veranderde. Op een
gegeven moment ontstond onder de Israëlieten de gedachte dat het verkeerd zou
zijn om G'ds Naam uit te spreken. Wanneer deze gedachte vaste voet begon te
krijgen, is onzeker. Sommigen zijn van mening, dat het begin hiervan gezocht
moet worden na de Babylonische ballingschap (607-537 v.G.T.), door anderen
wordt gesuggereerd dat men er in de derde eeuw v.G.T. mee ophield G'ds Naam te
gebruiken. De motieven hiervoor zijn in elk geval van uiteenlopende aard. De
voornaamste reden is het feit, dat G'd niet wil dat Zijn Naam misbruikt wordt,
zoals duidelijk blijkt uit tvm> Sh'mot [Exodus]
20:7 en ,yrbd D'varim [Deuteronomium] 5:11. Wat wordt daarmee
bedoeld? Uiteraard op de eerste plaats het misbruik van de heilige Naam in
toverformules. De wereld van het oude Oriënt was vroeger vol magie en occulte
praktijken. Je hoefde slechts de juiste naam van een bepaalde afgod te kennen
om onder het noemen van diens naam magische krachten te ontvangen. Maar het
verbod omvat nog veel meer: het valse zweren onder het noemen van de heilige
Naam. Of kijk om je heen: hoe vaak wordt de Naam van G'd of Jezus niet gebruikt
als stopwoord, als uitroep van verbazing of zelfs als vloek? Om algemeen
misbruik voorgoed te vermijden, werd uiteindelijk besloten om de heilige Naam hvhy JHWH, die volgens sommigen
6823 keer, volgens anderen 6973 keer in TeNaCH
[het Oude Testament] en meer dan 200 keer in B’rit
haChadasha [het Nieuwe Testament] voorkomt, te vervangen door "Adonai" ynvda hetgeen "HEER" betekent. Alleen de Kohen
haGadol [hogepriester] mocht de Naam op Yom
Kipur [Grote Verzoendag] in de Tempel noemen bij het gebed en de zegen.
Men motiveerde dit besluit met de veronderstelling dat de Naam van de Eeuwige
zo heilig en intiem is, dat het uitspreken daarvan op enig ander moment een
onvergeeflijke aanmatiging zou inhouden zo vertrouwd met G'd te zijn, dat je
Hem als het ware bij Zijn voornaam mocht noemen. In de oosterse denkwijze is
het immers ondenkbaar om zijn vader of laat staan een hooggeplaatst persoon bij
de voornaam aan te spreken (iets wat bij de moderne westerling tegenwoordig
vrij normaal is, denk maar aan Beatrix!). In de Joodse hn>m Mishna, een verzameling van rabbijnse leringen en
overleveringen, die in de 3e eeuw G.T. door rabbi Yehuda haNasi [Juda de Patriarch] werd samengesteld,
vinden wij enkele teksten met betrekking tot het uitspreken van de heilige Naam
in de tijd van vóór de verwoesting van Jeruzalem en de Tempel. Zo lezen wij in Yoma 6:2 in verband met Yom
Kipur [de Grote Verzoendag]: “En als de priesters en het volk, die in
het voorhof stonden, de duidelijk uitgesproken Naam hoorden, zoals hij uit de
mond van de Hogepriester kwam, knielden zij en bogen zij zich en wierpen zij
zich op hun aangezicht en hieven aan: Baruch Shem
k’vod Mal’chuto l’olam va’ed [Geprezen zij de heerlijke Naam van Zijn
Koninkrijk voor immer en eeuwig]!” – In Sota
7:6 staat over het gebruik van G’ds Naam in de dagelijkse zegeningen het
volgende: “In de Tempel spraken zij de Naam uit zoals deze werd geschreven,
maar in de provincies door een vervangend woord.” Uit o.a. deze teksten
blijkt, dat in elk geval tot de verwoesting van de Tempel in
Omdat het gepoogde uitspreken van de vermeende G’dsnaam door de Joden
(messiasbelijdend of niet) als onzorgvuldig en zeer kwetsend wordt ervaren en
ook de meeste christenen het uitspreken ervan uit eerbied vermijden, wordt in
de meeste bijbelvertalingen de vierletterige Naam hvhy weergegeven met het in hoofdletters gedrukte
HERE. In de Hebreeuwstalige geschriften blijft de heilige naam echter
onveranderd gehandhaafd maar wordt in de synagogale lezing vervangen door Adonai [Heer] of haShem
[de Naam]. Daarbuiten worden zelfs deze termen vermeden en bezigt men
verbasteringen als Adoshem of andere
omschrijvingen zoals haQadosh, baruch Hu [de
Heilige, geprezen zij Hij]. JHWH (hvhy) is dus een >rpmh ,> Shem haM'forash, een naam die vertolkt moet worden met
omschrijvingen. Reeds in !’’nt TeNaCH [het Oude Testament], maar ook in h>dxh tyrb B’rit haChadasha [het Nieuwe Testament] vertonen zich
sporen hiervan. In ty>arb B'reshit
[Genesis] 17:1 wordt de Eeuwige yd>
G'ds naam verkondigen
Is het verbod binnen het Jodendom om G'ds Naam uit te spreken niet in
strijd met tvm> Sh'mot [Exodus] 3:15? Daarin gaf Hij zelf immers aan Moshe [Mozes] de opdracht: "Aldus zult gij
tot de Israëlieten zeggen: JHWH (hvhy), de G'd uwer vaderen, de G'd van Avraham [Abraham], de G'd van Yitzchaq [Izaäk] en de G'd van Ya'aqov
[Jakob] heeft mij tot u gezonden; dit is Mijn Naam voor eeuwig en zo wil Ik
aangeroepen worden van geslacht tot geslacht!" - Als de Eeuwige zelf zegt, dat wij Hem bij Zijn
Naam mogen, ja zelfs moeten noemen, wie heeft dan het recht om dit te
verbieden? Van een dergelijk verbod is dan ook in de hele Bijbel niets te
vinden. Integendeel! In a ,ymyh yrbd Divrei haYamim alef [1 Kronieken] 16:8 lezen wij: "Looft de
Eeuwige (hvhy), roept Zijn Naam aan"
en ook in ,ylht Tehilim [Psalmen] 105:1 staat
hetzelfde: "Looft de Eeuwige (hvhy), roept Zijn Naam aan". Deze teksten liegen er niet om. Maar dat is niet
alles. G'd geeft zelfs opdracht om Zijn Naam aan een ieder bekend te maken: "...doch
hierom laat Ik u bestaan, om u Mijn kracht te tonen, opdat men Mijn Naam
verkondige op de gehele aarde" (tvm> Sh'mot [Exodus]
9:16). Dit wordt in Romeinen 9:17 nog een keer herhaald: “Daartoe heb Ik u
doen opstaan, opdat Ik u Mijn kracht zou tonen en Mijn Naam verbreid zou worden
over de gehele aarde.” Ook in andere bijbelboeken vinden wij de
verkondiging van de heilige Naam terug: "...om Uw tegenstanders Uw Naam
te doen kennen...!" (vhyi>y Yeshayahu
[Jesaja] 64:2); "...opdat men de Naam van de Eeuwige (hvhy) in Tziyon vertelle..." (,ylht Tehilim [Psalmen] 102:22); "Ik zal Uw Naam aan mijn broeders verkondigen"
(,ylht Tehilim [Psalmen] 22:23). Maar
hoe kunnen wij dit doen als wij zelf G'ds Naam niet eens kennen? Dat geldt
eveneens voor de volgende tekst: "En gij zult te dien dage zeggen:
Looft de Eeuwige (hvhy),
roept Zijn Naam aan, maakt onder de volken Zijn daden bekend, vermeldt, dat
Zijn Naam verheven is". Hoe
kunnen wij deze oproep uit vhyi>y Yeshayahu
[Jesaja] 12:4 in praktijk brengen, als wij de juiste uitspraak van G’ds Naam
niet weten? Er staan bijna 7000 teksten in de Bijbel, waarin de heilige Naam
met zijn vier Hebreeuwse medeklinkers genoemd wordt, en toch weten wij nog
steeds niet hoe wij die moeten uitspreken, omdat de klinkers ontbreken. Het
ziet ernaar uit, dat wij nu een groot probleem hebben, want als wij lavy Yo’el
[Joël] 2:32 mogen geloven, dan schijnt onze behoudenis slechts ervan af te
hangen of wij deze Naam wel of niet kunnen aanroepen. Dat alleen lijkt onze
redding te zijn en daarom komen wij deze belangrijke tekst zelfs ook in h>dxh tyrb B’rit haChadasha [het Nieuwe Testament] tegen, en
maar liefst twee keer: in tvlipm Mif’alot
[Handelingen] 2:21 en Romeinen 10:12-13: "Al
wie de Naam van de Eeuwige (hvhy) aanroept, zal behouden worden!" Maar hoe luidt deze Naam???
Is G'ds Naam
"Jehova" of “Jahwe”?
Toen sinds de 8e eeuw G.T. een volledig systeem begon te ontstaan om, door
middel van streepjes en punten, de juiste uitspraak van het Hebreeuws en dus
vooral de klinkers vast te leggen, maakte men gebruik van de gelegenheid om bepaalde
woorden, waarvan men vond dat ze om welke reden ook anders gelezen moesten
worden dan ze geschreven stonden, te voorzien van de klinkers van het te lezen
woord. Zo kon men, zonder aan de medeklinkertekst te raken, toch te kennen geven,
dat op die of die plaats iets in de uitspraak moest worden gewijzigd. Ieder die
Hebreeuws kent, valt daarover en wordt zo herinnerd aan het te lezen woord. Dat
was ook het geval met G'ds naam. Daarom werd hvhy JHWH bij het invullen van de vocalen voorzien van de klinkertekens voor
hetzij Adonai yfnOd_a of Elohim ,y1holEa afhankelijk van de tekst. Klaarblijkelijk wilden de Soferim de lezer er daardoor op attent maken dat hij deze woorden
in plaats van de g’ddelijke Naam moest uitspreken. Zo staan er sinds de tweede
helft van het eerste millennium twee versies van de heilige Naam in de Hebreeuwse
geschriften, namelijk hfOh2y en hIOhEy . De eerste versie komt het meest voor, want
doorgaans spreken de Joden, als zij tijdens het “lajenen”
[zangerig bijbellezen] de Naam van G’d tegenkomen het Hebreeuwse woord Adonai yfnOd_a [“HERE” ofwel “HEER”] uit, dus vandaar hfOh2y. Niet-joodse bijbelvertalers, die van dit typisch Joods gebruik niet op de
hoogte waren, hebben daarom later foutief aangenomen, dat de klinkers van Adonai, die ze inderdaad het meest tegenkwamen, bij
de medeklinkers hvhy JHWH hoorden en men las hfOh2y derhalve Y’hovah
of Iehouwah. Hieruit ontstond de spelling Jehova, een naam, die taalkundig een
onmogelijke constructie is en thans doorgaans als onjuist wordt gezien. Des te
meer als men bijvoorbeeld vhyi>y Y’shayahu
[Jesaja] 22:15 nader bekijkt, waar de reeds eerder genoemde klinkers van ,y1holEa Elohim [G’d]
worden gebruikt, waardoor er dus hIOhEy Y’hovih komt te
staan, dat logischerwijs tot de spelling Jehovi naast Jehova had moeten leiden,
wat dus niet gebeurde, want de Eeuwige heeft geen twee namen, maar één! Waarom
zijn er dan in het Hebreeuws twee versies? Waarom zegt men de ene keer Adonai [HERE] en de andere keer Elohim [G’d], als er toch in beide gevallen eigenlijk
oorspronkelijk dezelfde Naam staat? Dat is afhankelijk van de situatie en van
de zinsopbouw. Als wij in de meeste Nederlandse vertalingen de Naam HERE
tegenkomen, dan weten wij, dat de Joden Adonai
zeggen en hvhy derhalve ook van deze klinkertekens is voorzien.
Hetzelfde geldt voor HERE HERE, allebei met hoofdletters. In dit geval zeggen
de Joden Adonai haShem
of afgekort AdoShem, want in de
Hebreeuwse tekst staat hier hvhy hy YAH YHVH. Dit
is een combinatie van JAH, de verkorte vorm en JHWH,
de volledige vorm van de g’ddelijke Naam. Dus ook in dit geval staan hier de klinkers
van Adonai. De uitzondering vinden wij echter
in Here HERE, zoals o.a. in Jesaja 22:14 en 15, waarbij het eerste woord met
drie kleine letters en het tweede met vier hoofdletters wordt geschreven. Dit
is in de Hebreeuwse grondtekst hvhy ynda Adonai YHVH.
Het woordje Adonai staat hier al voluit
geschreven en derhalve zou het onlogisch zijn om het ook voor de daarop
volgende G’dsnaam te gebruiken, want anders zou het dubbelop zijn. Vandaar dus
dat men in dit specifieke geval de klinkers van ,y1holEa Elohim ingevuld heeft, waardoor Here HERE in het Hebreeuws wordt
gelezen als Adonai Elohim [Here G’d], terwijl er eigenlijk door middel van de
geleende vocalisering hIOhEy yfnOd_a Adonai
Yehovi staat. Daaruit blijkt duidelijk, dat de naam Jehova
kunstmatig is samengesteld en beslist niet als de authentieke Naam van de
Allerhoogste mag en kan worden beschouwd! Maar als deze uitspraak dus onjuist
is, welke uitspraak moeten wij dan wél hanteren om de Eeuwige te kunnen
aanroepen? Welnu, de Naam hvhy YHVH is afgeleid
van het Hebreeuwse woord hvh hava, dat
zowel “zijn” als “worden” betekent en in feite aansluit bij de uitspraak “Ik
ben die Ik ben”. Israëlische taalgeleerden geven daarom over het algemeen
de voorkeur aan Yah’ve [Jahwe] als meest
waarschijnlijke uitspraak van de g’ddelijke Naam. Zij wijzen erop dat de
verkorte vorm van deze Naam hy Yah is, zoals deze o.a. in Psalm 89:9 en Jesaja 12:2 voorkomt, alsook in de
uitdrukking hyvllh Haleluyah!, hetgeen “Looft Yah!” ofwel “Looft de Eeuwige!” betekent. De
verkorte vorm hy Yah werd ook opgenomen in veel Joodse namen, zoals hymxn Nechem’ya [Nehemia], hynpj Tzefan’ya en hyrkz Zechar’ya. Een andere verkorte vorm, vhy Yahu, is eveneens terug te vinden in de Hebreeuwse schrijfwijze van talrijke
eigennamen, zoals vhyi>y Yeshayahu [Jesaja], vhymry Yirm’yahu [Jeremia] en vhyttm Matityahu [Matthéüs]. Daaruit kan men dus concluderen, dat
de uitspraak van de eerste helft van de g’ddelijke Naam niet anders dan “Yahu” [Jahoe] kan zijn en gezien het feit dat de
letter v vav zowel als “v” als “u” [oe] gelezen kan worden en
de sluit-h, de h he als “leesmoeder” voor de “e” of “a” kan dienen,
ontstond als logisch gevolg hiervan de opvatting, dat de meest waarschijnlijke
uitspraak van de heilige Naam Yah’ve [Jahwe], Yah’va [Jahwa] of Yahua
[Jahoea] zou moeten zijn. Toch bestaat er onder de geleerden hierover beslist
nog geen overeenstemming, want sommigen geven, eigenlijk tegen beter weten in,
nog steeds de voorkeur aan de uitspraak Y’hova
[Jehova] en baseren hun vasthoudendheid op het feit dat ook de eerste helft van
deze versie, “Y’ho”, terug te vinden is in
Hebreeuwse eigennamen zoals i>vhy Y’hoshua [Jozua], up>vhy Y’hoshafat [Josafath] ]tnvhy Y’honatan [Jonathan],. Maar dan is er ook nog de versie “Y’hu”, zoals in tydvhy Y’hudit [Judit] en hdvhy Y’huda [Juda].
Aangezien er thans geen zekerheid over de juiste uitspraak te verkrijgen
is, blijft de vraag actueel onder welke Naam wij de Eeuwige wel mogen
aanroepen, zonder het gevaar te lopen, Zijn Naam door een verbastering te
ontheiligen. Zoals reeds eerder gezegd: dat weet niemand! Zo kan ook niemand
meer met zekerheid zeggen wanneer precies de religieuze Joden ermee opgehouden
zijn de Naam van G’d hardop uit te spreken en het woord Adonai ervoor in de plaats hebben gesteld. Velen zijn van mening
dat G’ds Naam hvhy lang
vóór de tijd van Yeshua
[Jezus] in brede lagen van de bevolking al niet meer in het dagelijks
spraakgebruik voorkwam. Maar er zijn krachtige bewijzen dat die Naam nog wél in
het religieuze spraakgebruik aanwezig was, in elk geval bij religieuze diensten
zoals op Yom Kipur [Grote Verzoendag] tot de
verwoesting van de Tempel. Maar waarom hielden de Joden eigenlijk buiten de
tempeldienst om ermee op om G’ds Naam uit te spreken? De meest waarschijnlijke
verklaring hiervoor vinden wij zoals reeds eerder aangehaald in een onjuiste
toepassing van het derde gebod: “Gij zult de
Naam van de Eeuwige, uw G’d, niet ijdel gebruiken, want de Eeuwige zal niet
onschuldig houden wie Zijn Naam ijdel gebruikt” (tvm> Shemot [Exodus] 20:7). Hij zegt hier dus wel, dat wij Zijn
heilige Naam niet op onwaardige wijze mogen uitspreken, maar Hij heeft het
gebruik daarvan niet helemaal verboden. Als dat zo was, dan zou Hij Zichzelf
namelijk tegenspreken omdat Hij juist de wereldwijde verkondiging van Zijn Naam
heeft opgedragen! Niettemin heerste er al in nieuwtestamentische tijden een
sterke tendens in orthodoxe kringen om G’ds redelijke geboden op een
onredelijke wijze te interpreteren, wat door Yeshua dan ook regelmatig werd veroordeeld. Zo voeren de
orthodoxe Joden het vierde gebod om de Shabat te heiligen tot in het belachelijke door en stelden
talloze regels op om zelfs de kleinste handeling die op de Shabat al dan niet mocht
gebeuren vast te leggen. Zo wordt in vele gezinnen het wc-papier reeds een dag
van tevoren afgescheurd en de losse velletjes voor de Shabat klaargelegd, om
maar iets te noemen. En ongetwijfeld heeft men in dezelfde geest het redelijk
gebod om G’ds naam niet op onwaardige wijze te gebruiken, tot een bijzonder onredelijk
uiterste doorgevoerd door te zeggen dat de Naam helemaal niet uitgesproken
mocht worden.
Omdat de heilige Naam dus alleen nog maar op de Grote
Verzoendag door de hogepriester in de Tempel mocht worden uitgeroepen, waaraan
met de verwoesting van de Tempel in het jaar 70 een einde kwam, staat de juiste
uitspraak tot op heden dus niet meer vast! En toch zijn er nu bepaalde kringen,
die iedereen ervan willen overtuigen dat het aanroepen van de g’ddelijke Naam
essentieel zou zijn voor onze behoudenis en dat het daarom van groot belang zou
zijn om die Naam te kennen, huis-aan-huis door te geven en te gebruiken, vooral
in de aanbidding. Dat de juiste uitspraak niet meer bekend is, en het derhalve
maar om behelpen gaat met de kunstmatige constructie “Jehovah” doet er voor hen
niet toe. In één van hun publicaties staat er: “Aangezien er thans geen
zekerheid over de uitspraak te verkrijgen is, schijnt er geen reden te zijn de
in het Nederlands welbekende vorm ‘Jehovah’ te vervangen door een andere
gesuggereerde uitspraak.” – En zo komen wij van het ene uiterste naar het
andere. Op grond van tvm> Sh'mot [Exodus]
3:15 ben ik het weliswaar niet eens met de stelling, dat G'ds Naam zo heilig
is, dat men hem in het geheel niet zou mogen uitspreken, maar ik ben wel van mening
dat G'ds naam inderdaad te heilig is om hem verkeerd uit te
spreken! Daarom vind ik, dat men niet zomaar een naam voor de Eeuwige mag
gebruiken, waarvan men alleen maar hoopt,
dat die de oorspronkelijke uitspraak waarschijnlijk
enigszins benadert, om maar te zwijgen over de bewuste keuze voor de reeds
bewezen foutieve constructie Jehovah. Maar hoe kunnen wij bidden tot de
Allerhoogste als wij Zijn juiste Naam niet eens weten? Yeshua
haMashiach zelf geeft ons in vhyttm Matityahu
(Mattheüs) 6:9 het antwoord: "Avinu
sh'baShamayim - Onze Vader, die in de hemelen zijt..." Wij
mogen Hem gewoon Vader noemen!
Yeshua belooft ons, dat wij in Zijn Naam
rechtstreeks tot de Vader mogen bidden: “Te dien dage zult gij in Mijn Naam bidden en Ik zeg u
niet, dat Ik de Vader voor u vragen zal, want de Vader zelf heeft u lief, omdat
gij Mij hebt liefgehad en geloofd hebt, dat Ik van G’d ben uitgegaan.” (]nxvy Yochanan [Johannes] 16:26) en “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u,
als gij de Vader om iets bidt, zal Hij het u geven in Mijn Naam.” (vers
23a). Het is voor ons dus helemaal
niet relevant of wij de Naam van onze hemelse Vader wel of niet kennen, omdat
wij in deze tijd van genade uitsluitend door Zijn Zoon Yeshua
[Jezus] tot Hem kunnen komen, er is geen andere weg! “Niemand komt tot de
Vader dan door Mij” zei Hij zelf in ]nxvy Yochanan [Johannes] 14:6.
Het is daarom van veel groter belang om Zijn echte Hebreeuwse Naam te
weten, die in het Nederlands “Redder” betekent, n.l. de Naam iv>y Yeshua,
omdat er over Hem geschreven staat: “En de behoudenis is in niemand anders,
want er is ook onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven,
waardoor wij moeten behouden worden!" (tvlipm Mif’alot [Handelingen] 4:12). Yeshua was niet
toevallig als Griek, maar doelbewust als Jood, als Hebreeër hier op deze aarde
gekomen, en ook Zijn Hebreeuwse Naam Yeshua
werd heel doelbewust door Zijn Vader aan Hem gegeven, niet de Griekse variant
Jezus: “Daarom heeft G’d Hem ook uitermate
verhoogd en Hem de Naam boven alle naam geschonken, opdat in de
Naam van Yeshua zich alle knie zou buigen van
hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden: Yeshua haMashiach [Jezus
Christus] is Heer, tot eer van G’d, de Vader!” (Filippenzen 2:9-10).
Ik zal Mijn naam opnieuw
bekend maken...
In Yo’el (Joël) 2:32 lazen we inderdaad,
dat een ieder, die de Naam van onze hemelse Vader, JHWH hvhy aanroept, behouden zal worden, maar in het jaar
70 werd de stad Jeruzalem verwoest, de stad waarvan G'd gezegd heeft: "Nu
heb Ik Jeruzalem verkoren, opdat Mijn Naam daar zijn zou" (b ,ymyh yrbd Divrei haYamim bet [2 Kronieken] 6:6). Ook de Tempel werd verwoest,
waarvan de Eeuwige eveneens ooit gezegd heeft: “Ik heb dit huis dat gij gebouwd hebt, geheiligd door
Mijn Naam daar voor altijd te vestigen” (a ,yklm Melachim alef [1 Koningen] 9:3. Jeruzalem en de Tempel waren er niet meer en ook G'ds Naam was verdwenen.
Die heilige Naam was immers verbonden met Jeruzalem en de Tempel. Maar nu terug
tot het begin van deze bijbelstudie. Jeruzalem, de stad die door de Romeinen
met de aardbodem gelijk werd gemaakt, is nu weer de hoofdstad van Israël, de
bloeiende metropool van het Joodse volk. Betekend dit, dat ook G'ds Naam weer
terugkomt, die immers aan deze stad verbonden is? Jazeker! Yeshua zelf heeft het ons beloofd. Op de avond voor
Zijn lijden en sterven bad Hij tot Zijn Vader: "Ik heb hun Uw
Naam bekend gemaakt, en Ik zal hem bekend maken..." (]nxvy Yochanan [Johannes] 17:26).
Hij zei dit aan het einde van Zijn aardse leven. Wanneer zal Hij dan de Naam
van Zijn Vader opnieuw aan de mensen bekend maken? Dat gaat gebeuren in de
eindtijd, de tijd waarin alle volken tegen Jeruzalem zullen oprukken en Israël
zullen aanvallen; de tijd waarin de naam van Yeshua
op aarde niet meer aangeroepen zal worden omdat de Gemeente er niet meer is!
Het is de tijd, die aan de spoedige wederkomst van de Mashiach
[Messias] voorafgaat, de tijd van de grote verdrukking! Israël, het Volk van
G’d, staat er alleen voor en alle volken zullen tot Israël’s vijanden behoren.
Maar dan zullen opeens de twee getuigen komen om G'ds Naam opnieuw aan Zijn
volk bekend te maken zoals geschreven staat in ]vyzx Chizayon [Openbaring] 11:1-14. Iets verderop, in hoofdstuk 16, vers 9 lezen wij: "En
de mensen werden verzengd door de grote hitte en zij lasterden de Naam van G'd,
die de macht heeft over deze plagen en zij bekeerden zich niet om Hem eer te
geven". Zij lasteren de Naam van G'd, dus dan zal hij wel aan iedereen
bekend moeten zijn, anders zou het niet kunnen. De profeet Ezechiël voorspelde
reeds duizenden jaren geleden, dat de Eeuwige opnieuw Zijn Naam
zal openbaren: "Ik zal Mijn heilige Naam bekendmaken onder Mijn volk
Israël; Ik zal Mijn heilige Naam niet meer laten ontheiligen; en de volken
zullen weten, dat Ik de Eeuwige (hvhy) ben, heilig in Israël. Zie, het komt, het zal geschieden, luidt het woord
van de Adonai haShem (hvhy ynvda); dit is de
dag, waarvan Ik gesproken heb" (laqzxy Y'chez’qel [Ezechiël] 39:7-8). De Eeuwige zal de twee
getuigen zenden om Zijn Naam, die zo lang verdwenen was opnieuw bekend te maken
aan Zijn eigen volk Israël, en vervolgens zullen de 144.000 uitverkorenen als
zendelingen deze Naam aan alle mensen verkondigen, opdat een ieder weet dat Hij
de Eeuwige is, de Almachtige, de Schepper van hemel en aarde, de Heilige van
Israël! Het eindscenario is in zicht. De strijd om Jeruzalem is reeds begonnen
en zal uitmonden in het grootste bloedbad van de aardse geschiedenis: "Te
dien dage zal Ik Jeruzalem maken tot een steen, die alle natiën moeten heffen;
allen die hem heffen, zullen zich deerlijk verwonden. En alle volkeren der
aarde zullen zich daarheen verzamelen" (hyrkz Zechar’ya [Zacharia]
12:3). "In het gehele land, luidt het woord van Adonai, zullen twee derden uitgeroeid worden en de geest geven,
maar een derde zal daarin overblijven. Dat derde deel zal Ik in het vuur
brengen, en Ik zal hen smelten, zoals men zilver smelt, ja hen louteren, zoals
men goud loutert. Zij zullen Mijn Naam aanroepen en Ik zal hen verhoren.
Ik zeg: Dat is Mijn volk; en zij zullen zeggen: De Eeuwige (hvhy) is mijn G'd" (hyrkz Zechar’ya [Zacharia]
13:8-9). “En het zal geschieden, dat ieder
die de Naam van de Eeuwige (hvhy) aanroept, behouden zal worden, want op de berg Tziyon en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals de Eeuwige
gezegd heeft; en tot de ontkomenen zullen zij behoren, die de Eeuwige zal
roepen. Want zie, in die dagen en te dien tijde, wanneer Ik een keer zal
brengen in het lot van Yehuda [Juda] en van Yerushalayim [Jeruzalem], zal Ik alle volken verzamelen en afvoeren
naar het dal van Y’hoshafat [Josafat], en Ik zal
aldaar met hen in het gericht treden ter oorzake van Mijn volk en van Mijn
erfdeel Israël, dat zij onder de volken verstrooid hebben, terwijl zij Mijn
land verdeelden!” (lavy Yo’el [Joël]
2:32 t/m 3:2). Een heerlijke belofte, maar er gebeurt
wel iets vreemds: “Ik zal over het huis van David en over de
inwoners van Jeruzalem uitgieten de Geest der genade en der gebeden; zij zullen
Hem aanschouwen, die zij doorstoken hebben, en over Hem een rouwklacht
aanheffen als de rouwklacht over een enig kind, ja, zij zullen over Hem bitter
leed dragen als het leed om een eerstgeborene.” (hyrkz Zechar’ya [Zacharia] 12:10). “Zie, Hij komt met de wolken en elk oog zal Hem zien, ook zij, die
Hem hebben doorstoken; en alle stammen der aarde zullen over Hem weeklagen!” (]vyzx Chizayon [Openbaring] 1:7). De Israëli’s roepen op die dag
in hun doodsbenauwdheid de Naam van G’d de Vader (hvhy) aan, maar als antwoord komt
G’ds Zoon, Yeshua om hen te redden! Opnieuw
wordt duidelijk wat Yeshua bedoelde toe Hij
zei: “Ik en de Vader zijn één!” (]nxvy Yochanan [Johannes] 10:30). Voorts blijkt hieruit ook de
letterlijke betekenis van Zijn Hebreeuwse naam iv>y Yeshua, namelijk Redder: “Gij zult Hem de naam
Yeshua [Redder]
geven. Want Hij is het die Zijn volk zal redden van hun zonden.” (vhyttm Matityahu [Matthéüs] 1:21). Dit is niet alleen een belofte, die
geestelijk in vervulling zou gaan, maar bij Zijn wederkomst ten opzichte van
Zijn volk Israël ook letterlijk! Het
overgebleven derde deel van het Israëlische volk zal dus precies datgene doen,
waarover de profeet Yo’el [Joël] gesproken
heeft en dat door Keifa [Petrus] en Sha’ul [Paulus] werd herhaald: het roept de heilige
Naam van de Eeuwige aan: (hvhy) YHVH, en Hij, de G’d van Israël, zal hen
verhoren en de vijanden van Israël verdelgen! Yeshua
komt in grote pracht en heerlijkheid uit de hemel neerdalen op de Olijfberg, en
met Hem de Gemeente, die Hij heeft weggenomen en in veiligheid heeft gebracht
lang voor dit alles zal geschieden. Lees de krant, luister naar de radio en
kijk naar het journaal op de televisie: de strijd om Jeruzalem is reeds
begonnen. Bent u bereid voor de wegname van de Gemeente, die nu elk moment kan
plaats vinden?