003. Bijbelstudie over

DE NAAM JHWH - HASHEM YHVH

hvhy

 

 

Uit de recente gebeurtenissen in Israël en uitspraken van politici blijkt, dat de strijd om Jeruzalem, die door de profeten voor de eindtijd (dat is de tijd die aan de komst van de Mashiach [Messias] voorafgaat), werd aangekondigd, reeds is begonnen! Dagelijks zien wij in het journaal beelden van rellen, moorden en bomaanslagen met als inzet Jeruzalem! Maar zoals gezegd: dit is nog maar het begin! Het komt nog veel erger, want op dit moment wordt de strijd nog slechts gevoerd tussen Israeli's en Palestijnen, maar zoals reeds de profeet Zechar’ya [Zacharia] voorspelde, zullen uiteindelijk alle volken der aarde zich met deze strijd gaan bemoeien en partij kiezen voor de Palestijnen. De sterke legers van de Verenigde Naties zullen dan oprukken tegen Jeruzalem en genadeloos dood en verderf zaaien! Het Joodse volk dreigt opnieuw uitgeroeid te worden, maar als hun benauwdheid het hoogtepunt bereikt heeft, dan zal het profetisch woord uit lavy Yo’el (Joël) 2:32 uitkomen: "En het zal geschieden, dat ieder die de Naam van de Eeuwige aanroept, behouden zal worden, want op de berg Tziyon en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals de Eeuwige gezegd heeft; en tot de ontkomenen zullen zij behoren, die de Eeuwige zal roepen". Dat en alléén dat is de redding voor de Joden: het aanroepen van G’ds Naam! Maar dit is juist het grootste probleem: het uitspreken van de heilige Naam is in het Jodendom immers verboden! En al zou dit verbod er niet zijn, dan komt het volgende probleem: hoe luidt de Naam van Eeuwige precies? Wie het weet mag het zeggen!

 

Ik ben die Ik ben

 

Reeds in !’’nt TeNaCH [het Oude Testament] werd G'd drie keer naar Zijn Naam gevraagd. De eerste keer was het Ya'aqov [Jakob], die ernaar vroeg: "Daarop vroeg Ya'aqov [Jakob]: Zeg mij toch Uw naam. Maar Hij antwoordde: Waarom vraagt gij toch naar Mijn Naam? En Hij zegende hem daar. En Ya'aqov [Jakob] noemde de plaats lainp P'ni'el [aanschijn van G'd], want, zeide hij, ik heb G'd gezien van aangezicht tot aangezicht en mijn leven is behouden gebleven" (ty>arb B'reshit [Genesis] 32:29-30). Maar ook Manoach, de vader van Shim’shon [Simson] krijgt letterlijk hetzelfde antwoord op zijn vraag: "Hoe is Uw Naam, want, wanneer uitkomt, wat Gij gezegd hebt, dan willen wij U eren. Maar de Engel van de Eeuwige zeide tot hem: Waarom vraagt gij naar Mijn Naam? Immers, toch die is wonderbaar" (,yup> Shof'tim [Richteren] 13:17-18). Dat deze Engel niemand anders dan de Eeuwige zelf was, blijkt uit vers 22, waarin Manoach tot zijn vrouw zegt: “Wij zullen zeker sterven, want wij hebben G'd gezien". In beide gevallen weigerde de Eeuwige op de vraag naar Zijn Naam in te gaan. In feite zegt Hij: hoe durf je zoiets te vragen? Deze uitdrukkelijke weigering om Zijn Naam bekend te maken ontbrak echter in het derde geval, toen Moshe [Mozes] de Eeuwige naar Zijn Naam vroeg: "Toen zeide G'd tot Moshe: Ik ben, die Ik ben" (tvm> Sh'mot [Exodus] 3:14). Het antwoord luidt dus zonder meer: Ik ben die Ik ben! Is dat een weigering? Neen, zeker niet! Maar waarom krijgt Moshe een ander antwoord dan Ya'aqov en Manoach? Welnu, beiden vroegen onverholen: “Wat is Uw naam?” Wat neerkomt op: “Wie bent U eigenlijk?” Moshe formuleerde zijn vraag echter heel anders: Daarop zeide Moshe tot G’d: Maar wanneer ik tot de Israëlieten kom en hun zeg: De G’d uwer vaderen heeft mij tot u gezonden, en zij mij vragen: Hoe is Zijn Naam?, wat moet ik hun dan antwoorden? Toen zeide G’d tot Moshe: Ik ben, die Ik ben. En Hij zeide: Aldus zult gij tot de Israëlieten zeggen: Ik ben heeft mij tot u gezonden.” (tvm> Sh'mot [Exodus] 3:13-14). Zowel Ya'aqov alsook Manoach realiseerden zich pas achteraf met wie ze eigenlijk hebben gesproken. Moshe daarentegen wist heel goed met wie hij te maken had, want G'd zei reeds vanaf het begin uitdrukkelijk: "Ik ben de G'd van uw vader" (tvm> Sh'mot [Exodus] 3:6). Maar waarom noemde Hij niet Zijn echte Naam, maar gaf slechts als antwoord: “Ik ben die Ik ben”? Voor het westerse taalgevoel is deze wending moeilijk te begrijpen, maar voor Joden is dit de gewone Hebreeuwse manier om onbepaaldheid uit te drukken. Een soortgelijke constructie komen we bijvoorbeeld ook in tvm> Sh'mot [Exodus] 33:19 tegen: ,xra r>a=ta ytmxrv ]xa r>a=ta ytnxv V’chanoti et-asher achon v’richam’ti et-asher arachem [Ik zal genadig zijn wie Ik genadig ben, en Mij ontfermen over wie Ik Mij ontferm]. Ook in Romeinen 9:15 vinden wij dezelfde tekst: "Over wie Ik Mij ontferm, zal Ik Mij ontfermen, en jegens wie Ik barmhartig ben, zal Ik barmhartig zijn". G'd bedoeld hiermee, dat Hij zich ontfermt, over wie Hij wil, de mens heeft in deze niets te bepalen. De onbepaaldheid wordt hier uitgedrukt door een herhaling van hetzelfde werkwoord, waarvan de twee vormen door een betrekkelijk voornaamwoord met elkaar zijn verbonden. In tvm> Sh'mot [Exodus] 16:23 vinden wij een ander voorbeeld voor deze constructie: vl>b vl>bt=r>a tav vpa vpat=r>a ta Et asher-tofu efu v’et asher-t’vashelu bashelu [Bakt wat gij bakken wilt en kookt wat gij koken wilt], hetgeen eigenlijk zoveel betekent als: doe met het manna wat je wilt. Men is het erover eens, dat het antwoord van de Eeuwige op de vraag van Moshe [Mozes] ook een voorbeeld is van deze Hebreeuwse constructie: hyha r>a hyha Eh'ye asher Eh'ye! ofwel “Ik ben die Ik ben” wat ook vertaald kan worden met “Ik zal zijn die Ik was” of “Ik zal zijn die Ik zijn zal” - en daarmee aangeeft dat G’d nooit verandert, maar onveranderlijk is, want zijnde dat Hij is, wordt Hij geen ander, maar blijft dezelfde, die Hij van eeuwigheid is. Dit betekent, dat de G’d van Israël eeuwig is in wezen, getrouw in Zijn belofte en alvermogend in haar uitvoering. Dat deze constructie op verschillende manieren vertaald kan worden moet niet zo opgevat worden, alsof de betekenis van deze heilige woorden onzeker zou zijn. Maar omdat onze taal mist, wat het Hebreeuws wél heeft, namelijk een vorm, die tegelijkertijd het heden en de toekomst uitdrukt, willen onze bijbelvertalers erop wijzen, dat noch de ene, noch de andere vertaling de betekenis van deze hoogheerlijke woorden uitput. Is het toch de Eeuwige, die zich hier uitspreekt, en valt in het eeuwige juist het verschil van het heden en van de toekomst weg, dan wordt er, hoe men ook zou vertalen, altijd aan de diepere betekenis van deze Hebreeuwse woorden te kort gedaan. Vertaalt men "Ik zal zijn", dan moet "Ik ben" erbij gedacht worden; maar vertaalt men: "Ik ben", dan moet "Ik zal zijn" eronder begrepen worden. (Kuyper). Deze tijdloze identiteit van de Eeuwige komt bijzonder tot uitdrukking in de omschrijving: abv hyh hvh avh r>a Asher Hu hove, haya vaba of ook wel: avbyv hyhv hvhh haHove v’haya v’yavo [Hij die was en die is en die komen zal] in ]vyzx Chizayon [Openbaring] 1:4, 1:8 en 4:8. Als G’d zo van zich zelf kan zeggen: “Ik ben die Ik ben” of “Ik ben die Ik zijn zal”, dan geeft Hij daarmee aan dat Hij de bron en oorsprong van Zijn eigen wezen, Zijn eigen Ik is. Hij is dus de Eeuwige, Almachtige, Zelfstandige, die het leven heeft in Zichzelf! Interessant is hierbij, dat precies hetzelfde ook voor Yeshua [Jezus] van toepassing is: “Want gelijk de Vader leven heeft in Zichzelf, heeft Hij ook de Zoon gegeven leven te hebben in Zichzelf”. (]nxvy Yochanan [Johannes] 5:26). Elke twijfel over de identiteit van Yeshua wordt eveneens weggenomen als wij twee teksten uit Openbaring met elkaar vergelijken, waarin eerst de Vader van Zichzelf getuigt: “Ik ben de Alfa en de Omega, zegt de Eeuwige (hvhy) G’d, die is en die was en die komt, de Almachtige.” (]vyzx Chizayon [Openbaring] 1:8), en daarna Yeshua, de Zoon: “Ik ben de Alfa en de Omega, de eerste en de laatste, het begin en het einde.” (]vyzx Chizayon [Openbaring] 22:13). Ook de bekende tekst uit ,yrbi Ivrim [Hebreeën] 13:8 zegt in feite hetzelfde, namelijk: Yeshua haMashiach [Jezus Christus] is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid”. Nu begrijpen wij dus beter, wat Yeshua bedoelde toen Hij zei: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien” (]nxvy Yochanan [Johannes] 14:9. Maar terug tot Moshe [Mozes], die op zijn vraag naar de naam van G’d slechts de vreemde constructie “Ik ben die Ik ben” als antwoord kreeg. Maar hij had de vraag van de weerspanneling onder zijn volk: "Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld?” nog niet vergeten. Zij deed hem deze vraag doen aan G’d. Egypte was immers vervuld van afgoden, en allen hadden hun namen. Door welke naam mocht men dus nu de G’d van de vaderen van hen onderscheiden? Daarbij, tot zijn volk kon hij spreken van de "G’d van hun vaderen", maar niet tot farao. De vraag was dus billijk, en nu noemde G’d Zichzelf met een naam, die zoveel zeggen wil als: "de ware G’d." G’d zei ermee: "Ik ben: Ik ben het Wezen; niets heeft wezen dan in en door Mij. Ik ben de Onveranderlijke." (Da Costa). Maar Hij liet Moshe niet onkundig omtrent Zijn naam, want reeds in vers 15 van tvm> Sh'mot [Exodus] 3 zegt Hij: "Aldus zult gij tot de Israëlieten zeggen: De Eeuwige, de G'd uwer vaderen, de G'd van Avraham [Abraham], de G'd van Yitzchaq [Izaäk] en de G'd van Ya'aqov (Jakob) heeft mij tot u gezonden; dit is Mijn Naam voor eeuwig en zo wil Ik aangeroepen worden van geslacht tot geslacht".

 

Vragen en nog eens vragen

 

Hoe luidt dus de Naam van G'd? Als we de NBG-vertaling mogen geloven, dan zou dat dus "HERE" moeten zijn. Maar is dat ook zo? Welnee! “HERE” is slechts een titel ter vervanging van G'ds naam. De oorspronkelijke Hebreeuwse geschriften bevatten de Naam van de Eeuwige in de vorm van vier medeklinkers: yod y he h vav v he h. Deze vier letters, die van rechts naar links zijn geschreven (hvhy), kan men als YHVH of in het Nederlands JHWH transcriberen. Nu zitten we echter met een groot probleem: hoe wordt die Naam precies uitgesproken? De medeklinkers zijn weliswaar bekend, maar de vraag is welke klinkers bij deze medeklinkers horen. De klinkertekens kwamen in het Hebreeuws namelijk pas in de tweede helft van het 1ste millennium G.T. in gebruik. Maar ook in de klinkertekens die vanaf die tijd in Hebreeuwse handschriften te vinden zijn, ligt niet de sleutel tot de oplossing van het probleem, omdat reeds eeuwen daarvoor een groeiende huiver ontstond om de heilige Naam van G'd uit te spreken. Nog meer vragen komen dus erbij: waarom spreken de Joden G'ds Naam niet uit? Mogen zij het niet of willen zij het niet, of kunnen zij het niet? Als zij het niet zouden mogen, dan is de volgende vraag: waarom heeft de Eeuwige dan tegen Moshe [Mozes] bij het noemen van Zijn Naam gezegd, dat Hij van geslacht tot geslacht zo en niet anders aangeroepen wil worden? Is dat niet in tegenspraak met het vermijden van het uitspreken van Zijn naam? Nog een vraag: in de eerder genoemde tekst uit lavy Yo’el [Joël] 2:32 lezen wij, dat een ieder die de Naam van de Eeuwige aanroept behouden zal worden. Maar hoe kan je de Naam van de Eeuwige aanroepen als je niet eens weet hoe hij wordt uitgesproken? En hoe zit het met Yeshua [Jezus]? Hebben wij Yeshua dan niet meer nodig als we reeds door het uitspreken van de vierletterige Naam van Zijn Vader behouden zouden zijn? Vragen en nog eens vragen!

 

hvhy JHWH - de Naam van de Eeuwige

 

Het feit wil dus, dat op dit moment niemand zeker weet, hoe de Naam van G'd oorspronkelijk werd uitgesproken. Hoe komt dat? Nu, de eerste taal die bij het schrijven van de Bijbel werd gebruikt, was zoals bekend het Hebreeuws, en wanneer deze Hebreeuwse taal werd geschreven, gebruikten de schrijvers alleen medeklinkers, geen klinkers! Dat is ook nu weer het geval met het moderne Ivrit. Dus met G'ds Naam deed men hetzelfde en schreef alleen de medeklinkers op. Zolang de uitspraak van de heilige Naam bij de Israëlieten bekend was, leverde dit geen probleem op. Als zij namelijk deze Naam geschreven zagen staan, vulden zij de klinkers op de juiste wijze in zonder erbij na te denken, net zoals bij alle andere woorden en namen in hun taal. Maar toen gebeurde er iets waardoor deze situatie veranderde. Op een gegeven moment ontstond onder de Israëlieten de gedachte dat het verkeerd zou zijn om G'ds Naam uit te spreken. Wanneer deze gedachte vaste voet begon te krijgen, is onzeker. Sommigen zijn van mening, dat het begin hiervan gezocht moet worden na de Babylonische ballingschap (607-537 v.G.T.), door anderen wordt gesuggereerd dat men er in de derde eeuw v.G.T. mee ophield G'ds Naam te gebruiken. De motieven hiervoor zijn in elk geval van uiteenlopende aard. De voornaamste reden is het feit, dat G'd niet wil dat Zijn Naam misbruikt wordt, zoals duidelijk blijkt uit tvm> Sh'mot [Exodus] 20:7 en ,yrbd D'varim [Deuteronomium] 5:11. Wat wordt daarmee bedoeld? Uiteraard op de eerste plaats het misbruik van de heilige Naam in toverformules. De wereld van het oude Oriënt was vroeger vol magie en occulte praktijken. Je hoefde slechts de juiste naam van een bepaalde afgod te kennen om onder het noemen van diens naam magische krachten te ontvangen. Maar het verbod omvat nog veel meer: het valse zweren onder het noemen van de heilige Naam. Of kijk om je heen: hoe vaak wordt de Naam van G'd of Jezus niet gebruikt als stopwoord, als uitroep van verbazing of zelfs als vloek? Om algemeen misbruik voorgoed te vermijden, werd uiteindelijk besloten om de heilige Naam hvhy JHWH, die volgens sommigen 6823 keer, volgens anderen 6973 keer in TeNaCH [het Oude Testament] en meer dan 200 keer in B’rit haChadasha [het Nieuwe Testament] voorkomt, te vervangen door "Adonai" ynvda hetgeen "HEER" betekent. Alleen de Kohen haGadol [hogepriester] mocht de Naam op Yom Kipur [Grote Verzoendag] in de Tempel noemen bij het gebed en de zegen. Men motiveerde dit besluit met de veronderstelling dat de Naam van de Eeuwige zo heilig en intiem is, dat het uitspreken daarvan op enig ander moment een onvergeeflijke aanmatiging zou inhouden zo vertrouwd met G'd te zijn, dat je Hem als het ware bij Zijn voornaam mocht noemen. In de oosterse denkwijze is het immers ondenkbaar om zijn vader of laat staan een hooggeplaatst persoon bij de voornaam aan te spreken (iets wat bij de moderne westerling tegenwoordig vrij normaal is, denk maar aan Beatrix!). In de Joodse hn>m Mishna, een verzameling van rabbijnse leringen en overleveringen, die in de 3e eeuw G.T. door rabbi Yehuda haNasi [Juda de Patriarch] werd samengesteld, vinden wij enkele teksten met betrekking tot het uitspreken van de heilige Naam in de tijd van vóór de verwoesting van Jeruzalem en de Tempel. Zo lezen wij in Yoma 6:2 in verband met Yom Kipur [de Grote Verzoendag]: “En als de priesters en het volk, die in het voorhof stonden, de duidelijk uitgesproken Naam hoorden, zoals hij uit de mond van de Hogepriester kwam, knielden zij en bogen zij zich en wierpen zij zich op hun aangezicht en hieven aan: Baruch Shem k’vod Mal’chuto l’olam va’ed [Geprezen zij de heerlijke Naam van Zijn Koninkrijk voor immer en eeuwig]!” – In Sota 7:6 staat over het gebruik van G’ds Naam in de dagelijkse zegeningen het volgende: “In de Tempel spraken zij de Naam uit zoals deze werd geschreven, maar in de provincies door een vervangend woord.” Uit o.a. deze teksten blijkt, dat in elk geval tot de verwoesting van de Tempel in 70 G.T. de juiste uitspraak van de heilige Naam nog wel bekend was, maar dat reeds toen al de tendens bestond om het gebruik daarvan zoveel mogelijk te vermijden, alhoewel het voornamelijk de priesters waren over wie uitdrukkelijk werd vermeld dat zij in plaats van G’ds Naam een vervangende naam of een omschrijving gebruikten, en dat ook alleen maar in de provincies, dus buiten de stad. In het eerste deel van de Mishna, namelijk in B’rachot 9:5 vinden wij daarentegen toch ook de uitdrukkelijke opdracht, dat “een man zijn naaste met het gebruik van de Naam van G’d dient te groeten”, waarna het voorbeeld van Boaz wordt aangehaald: En zie, Boaz kwam uit Beit Lechem [Betlehem] en hij zeide tot de maaiers: de Eeuwige (hvhy) zij met u! Zij zeiden tot hem: de Eeuwige (hvhy) zegene u!” (tvr Rut [Ruth] 2:4). Hoe dan ook, na de verwoesting van de Tempel raakte de juiste uitspraak van de heilige Naam in totale vergetelheid en elke poging om die te achterhalen is tot nu toe mislukt en zou alleen maar leiden tot speculaties.

 

>rpmh ,> Shem haM'forash

 

Omdat het gepoogde uitspreken van de vermeende G’dsnaam door de Joden (messiasbelijdend of niet) als onzorgvuldig en zeer kwetsend wordt ervaren en ook de meeste christenen het uitspreken ervan uit eerbied vermijden, wordt in de meeste bijbelvertalingen de vierletterige Naam hvhy weergegeven met het in hoofdletters gedrukte HERE. In de Hebreeuwstalige geschriften blijft de heilige naam echter onveranderd gehandhaafd maar wordt in de synagogale lezing vervangen door Adonai [Heer] of haShem [de Naam]. Daarbuiten worden zelfs deze termen vermeden en bezigt men verbasteringen als Adoshem of andere omschrijvingen zoals haQadosh, baruch Hu [de Heilige, geprezen zij Hij]. JHWH (hvhy) is dus een >rpmh ,> Shem haM'forash, een naam die vertolkt moet worden met omschrijvingen. Reeds in !’’nt TeNaCH [het Oude Testament], maar ook in h>dxh tyrb B’rit haChadasha [het Nieuwe Testament] vertonen zich sporen hiervan. In ty>arb B'reshit [Genesis] 17:1 wordt de Eeuwige yd> la El Shadai [Almachtige G’d) genoemd. In Lucas 1:32 kennen wij Hem als ]vylih haElyon [de Allerhoogste], in Marcus 5:7 als ]vyli=la El-Elyon [de allerhoogste G'd] en in Marcus 14:61 als !rbmh haM'vorach [de Gezegende]. In vhyttm Matityahu [Mattheüs] 26:64 noemt men Hem hrvbgh haG'vura [de Macht] en in ,yrbi Ivrim [Hebreeën] 8:1 dvbkh haKavod [de Majesteit] terwijl Hij in a ]nxvy Yochanan Alef [1 Johannes] 2:20 >vdqh haQadosh [de Heilige] wordt genoemd. Een van de tegenwoordig meest gebruikte namen voor G'd vinden wij in g ]nxvy Yochanan Gimel [3 Johannes] 1:7, namelijk: haShem ,>h [de Naam].

 

G'ds naam verkondigen

 

Is het verbod binnen het Jodendom om G'ds Naam uit te spreken niet in strijd met tvm> Sh'mot [Exodus] 3:15? Daarin gaf Hij zelf immers aan Moshe [Mozes] de opdracht: "Aldus zult gij tot de Israëlieten zeggen: JHWH (hvhy), de G'd uwer vaderen, de G'd van Avraham [Abraham], de G'd van Yitzchaq [Izaäk] en de G'd van Ya'aqov [Jakob] heeft mij tot u gezonden; dit is Mijn Naam voor eeuwig en zo wil Ik aangeroepen worden van geslacht tot geslacht!" - Als de Eeuwige zelf zegt, dat wij Hem bij Zijn Naam mogen, ja zelfs moeten noemen, wie heeft dan het recht om dit te verbieden? Van een dergelijk verbod is dan ook in de hele Bijbel niets te vinden. Integendeel! In a ,ymyh yrbd Divrei haYamim alef [1 Kronieken] 16:8 lezen wij: "Looft de Eeuwige (hvhy), roept Zijn Naam aan" en ook in ,ylht Tehilim [Psalmen] 105:1 staat hetzelfde: "Looft de Eeuwige (hvhy), roept Zijn Naam aan". Deze teksten liegen er niet om. Maar dat is niet alles. G'd geeft zelfs opdracht om Zijn Naam aan een ieder bekend te maken: "...doch hierom laat Ik u bestaan, om u Mijn kracht te tonen, opdat men Mijn Naam verkondige op de gehele aarde" (tvm> Sh'mot [Exodus] 9:16). Dit wordt in Romeinen 9:17 nog een keer herhaald: “Daartoe heb Ik u doen opstaan, opdat Ik u Mijn kracht zou tonen en Mijn Naam verbreid zou worden over de gehele aarde.” Ook in andere bijbelboeken vinden wij de verkondiging van de heilige Naam terug: "...om Uw tegenstanders Uw Naam te doen kennen...!" (vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 64:2); "...opdat men de Naam van de Eeuwige (hvhy) in Tziyon vertelle..." (,ylht Tehilim [Psalmen] 102:22); "Ik zal Uw Naam aan mijn broeders verkondigen" (,ylht Tehilim [Psalmen] 22:23). Maar hoe kunnen wij dit doen als wij zelf G'ds Naam niet eens kennen? Dat geldt eveneens voor de volgende tekst: "En gij zult te dien dage zeggen: Looft de Eeuwige (hvhy), roept Zijn Naam aan, maakt onder de volken Zijn daden bekend, vermeldt, dat Zijn Naam verheven is". Hoe kunnen wij deze oproep uit vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 12:4 in praktijk brengen, als wij de juiste uitspraak van G’ds Naam niet weten? Er staan bijna 7000 teksten in de Bijbel, waarin de heilige Naam met zijn vier Hebreeuwse medeklinkers genoemd wordt, en toch weten wij nog steeds niet hoe wij die moeten uitspreken, omdat de klinkers ontbreken. Het ziet ernaar uit, dat wij nu een groot probleem hebben, want als wij lavy Yo’el [Joël] 2:32 mogen geloven, dan schijnt onze behoudenis slechts ervan af te hangen of wij deze Naam wel of niet kunnen aanroepen. Dat alleen lijkt onze redding te zijn en daarom komen wij deze belangrijke tekst zelfs ook in h>dxh tyrb B’rit haChadasha [het Nieuwe Testament] tegen, en maar liefst twee keer: in tvlipm Mif’alot [Handelingen] 2:21 en Romeinen 10:12-13: "Al wie de Naam van de Eeuwige (hvhy) aanroept, zal behouden worden!" Maar hoe luidt deze Naam???

 

Is G'ds Naam "Jehova" of “Jahwe”?

 

Toen sinds de 8e eeuw G.T. een volledig systeem begon te ontstaan om, door middel van streepjes en punten, de juiste uitspraak van het Hebreeuws en dus vooral de klinkers vast te leggen, maakte men gebruik van de gelegenheid om bepaalde woorden, waarvan men vond dat ze om welke reden ook anders gelezen moesten worden dan ze geschreven stonden, te voorzien van de klinkers van het te lezen woord. Zo kon men, zonder aan de medeklinkertekst te raken, toch te kennen geven, dat op die of die plaats iets in de uitspraak moest worden gewijzigd. Ieder die Hebreeuws kent, valt daarover en wordt zo herinnerd aan het te lezen woord. Dat was ook het geval met G'ds naam. Daarom werd hvhy JHWH bij het invullen van de vocalen voorzien van de klinkertekens voor hetzij Adonai yfnOd_a of Elohim ,y1holEa afhankelijk van de tekst. Klaarblijkelijk wilden de Soferim de lezer er daardoor op attent maken dat hij deze woorden in plaats van de g’ddelijke Naam moest uitspreken. Zo staan er sinds de tweede helft van het eerste millennium twee versies van de heilige Naam in de Hebreeuwse geschriften, namelijk hfOh2y en hIOhEy . De eerste versie komt het meest voor, want doorgaans spreken de Joden, als zij tijdens het “lajenen” [zangerig bijbellezen] de Naam van G’d tegenkomen het Hebreeuwse woord Adonai yfnOd_a [“HERE” ofwel “HEER”] uit, dus vandaar hfOh2y. Niet-joodse bijbelvertalers, die van dit typisch Joods gebruik niet op de hoogte waren, hebben daarom later foutief aangenomen, dat de klinkers van Adonai, die ze inderdaad het meest tegenkwamen, bij de medeklinkers hvhy JHWH hoorden en men las hfOh2y derhalve Y’hovah of Iehouwah. Hieruit ontstond de spelling Jehova, een naam, die taalkundig een onmogelijke constructie is en thans doorgaans als onjuist wordt gezien. Des te meer als men bijvoorbeeld vhyi>y Y’shayahu [Jesaja] 22:15 nader bekijkt, waar de reeds eerder genoemde klinkers van ,y1holEa Elohim [G’d] worden gebruikt, waardoor er dus hIOhEy Y’hovih komt te staan, dat logischerwijs tot de spelling Jehovi naast Jehova had moeten leiden, wat dus niet gebeurde, want de Eeuwige heeft geen twee namen, maar één! Waarom zijn er dan in het Hebreeuws twee versies? Waarom zegt men de ene keer Adonai [HERE] en de andere keer Elohim [G’d], als er toch in beide gevallen eigenlijk oorspronkelijk dezelfde Naam staat? Dat is afhankelijk van de situatie en van de zinsopbouw. Als wij in de meeste Nederlandse vertalingen de Naam HERE tegenkomen, dan weten wij, dat de Joden Adonai zeggen en hvhy derhalve ook van deze klinkertekens is voorzien. Hetzelfde geldt voor HERE HERE, allebei met hoofdletters. In dit geval zeggen de Joden Adonai haShem of afgekort AdoShem, want in de Hebreeuwse tekst staat hier hvhy hy YAH YHVH. Dit is een combinatie van JAH, de verkorte vorm en JHWH, de volledige vorm van de g’ddelijke Naam. Dus ook in dit geval staan hier de klinkers van Adonai. De uitzondering vinden wij echter in Here HERE, zoals o.a. in Jesaja 22:14 en 15, waarbij het eerste woord met drie kleine letters en het tweede met vier hoofdletters wordt geschreven. Dit is in de Hebreeuwse grondtekst hvhy ynda Adonai YHVH. Het woordje Adonai staat hier al voluit geschreven en derhalve zou het onlogisch zijn om het ook voor de daarop volgende G’dsnaam te gebruiken, want anders zou het dubbelop zijn. Vandaar dus dat men in dit specifieke geval de klinkers van ,y1holEa Elohim ingevuld heeft, waardoor Here HERE in het Hebreeuws wordt gelezen als Adonai Elohim [Here G’d], terwijl er eigenlijk door middel van de geleende vocalisering hIOhEy yfnOd_a Adonai Yehovi staat. Daaruit blijkt duidelijk, dat de naam Jehova kunstmatig is samengesteld en beslist niet als de authentieke Naam van de Allerhoogste mag en kan worden beschouwd! Maar als deze uitspraak dus onjuist is, welke uitspraak moeten wij dan wél hanteren om de Eeuwige te kunnen aanroepen? Welnu, de Naam hvhy YHVH is afgeleid van het Hebreeuwse woord hvh hava, dat zowel “zijn” als “worden” betekent en in feite aansluit bij de uitspraak “Ik ben die Ik ben”. Israëlische taalgeleerden geven daarom over het algemeen de voorkeur aan Yah’ve [Jahwe] als meest waarschijnlijke uitspraak van de g’ddelijke Naam. Zij wijzen erop dat de verkorte vorm van deze Naam hy Yah is, zoals deze o.a. in Psalm 89:9 en Jesaja 12:2 voorkomt, alsook in de uitdrukking hyvllh Haleluyah!, hetgeen “Looft Yah!” ofwel “Looft de Eeuwige!” betekent. De verkorte vorm hy Yah werd ook opgenomen in veel Joodse namen, zoals hymxn Nechem’ya [Nehemia], hynpj Tzefan’ya en hyrkz Zechar’ya. Een andere verkorte vorm, vhy Yahu, is eveneens terug te vinden in de Hebreeuwse schrijfwijze van talrijke eigennamen, zoals vhyi>y Yeshayahu [Jesaja], vhymry Yirm’yahu [Jeremia] en vhyttm Matityahu [Matthéüs]. Daaruit kan men dus concluderen, dat de uitspraak van de eerste helft van de g’ddelijke Naam niet anders dan “Yahu” [Jahoe] kan zijn en gezien het feit dat de letter v vav zowel als “v” als “u” [oe] gelezen kan worden en de sluit-h, de h he als “leesmoeder” voor de “e” of “a” kan dienen, ontstond als logisch gevolg hiervan de opvatting, dat de meest waarschijnlijke uitspraak van de heilige Naam Yah’ve [Jahwe], Yah’va [Jahwa] of Yahua [Jahoea] zou moeten zijn. Toch bestaat er onder de geleerden hierover beslist nog geen overeenstemming, want sommigen geven, eigenlijk tegen beter weten in, nog steeds de voorkeur aan de uitspraak Y’hova [Jehova] en baseren hun vasthoudendheid op het feit dat ook de eerste helft van deze versie, “Y’ho”, terug te vinden is in Hebreeuwse eigennamen zoals i>vhy Y’hoshua [Jozua], up>vhy Y’hoshafat [Josafath] ]tnvhy Y’honatan [Jonathan],. Maar dan is er ook nog de versie “Y’hu”, zoals in tydvhy Y’hudit [Judit] en hdvhy Y’huda [Juda].

 

Het derde gebod

 

Aangezien er thans geen zekerheid over de juiste uitspraak te verkrijgen is, blijft de vraag actueel onder welke Naam wij de Eeuwige wel mogen aanroepen, zonder het gevaar te lopen, Zijn Naam door een verbastering te ontheiligen. Zoals reeds eerder gezegd: dat weet niemand! Zo kan ook niemand meer met zekerheid zeggen wanneer precies de religieuze Joden ermee opgehouden zijn de Naam van G’d hardop uit te spreken en het woord Adonai ervoor in de plaats hebben gesteld. Velen zijn van mening dat G’ds Naam hvhy lang vóór de tijd van Yeshua [Jezus] in brede lagen van de bevolking al niet meer in het dagelijks spraakgebruik voorkwam. Maar er zijn krachtige bewijzen dat die Naam nog wél in het religieuze spraakgebruik aanwezig was, in elk geval bij religieuze diensten zoals op Yom Kipur [Grote Verzoendag] tot de verwoesting van de Tempel. Maar waarom hielden de Joden eigenlijk buiten de tempeldienst om ermee op om G’ds Naam uit te spreken? De meest waarschijnlijke verklaring hiervoor vinden wij zoals reeds eerder aangehaald in een onjuiste toepassing van het derde gebod: “Gij zult de Naam van de Eeuwige, uw G’d, niet ijdel gebruiken, want de Eeuwige zal niet onschuldig houden wie Zijn Naam ijdel gebruikt” (tvm> Shemot [Exodus] 20:7). Hij zegt hier dus wel, dat wij Zijn heilige Naam niet op onwaardige wijze mogen uitspreken, maar Hij heeft het gebruik daarvan niet helemaal verboden. Als dat zo was, dan zou Hij Zichzelf namelijk tegenspreken omdat Hij juist de wereldwijde verkondiging van Zijn Naam heeft opgedragen! Niettemin heerste er al in nieuwtestamentische tijden een sterke tendens in orthodoxe kringen om G’ds redelijke geboden op een onredelijke wijze te interpreteren, wat door Yeshua dan ook regelmatig werd veroordeeld. Zo voeren de orthodoxe Joden het vierde gebod om de Shabat te heiligen tot in het belachelijke door en stelden talloze regels op om zelfs de kleinste handeling die op de Shabat al dan niet mocht gebeuren vast te leggen. Zo wordt in vele gezinnen het wc-papier reeds een dag van tevoren afgescheurd en de losse velletjes voor de Shabat klaargelegd, om maar iets te noemen. En ongetwijfeld heeft men in dezelfde geest het redelijk gebod om G’ds naam niet op onwaardige wijze te gebruiken, tot een bijzonder onredelijk uiterste doorgevoerd door te zeggen dat de Naam helemaal niet uitgesproken mocht worden.

 

Verkondiging van de verkeerde naam

 

Omdat de heilige Naam dus alleen nog maar op de Grote Verzoendag door de hogepriester in de Tempel mocht worden uitgeroepen, waaraan met de verwoesting van de Tempel in het jaar 70 een einde kwam, staat de juiste uitspraak tot op heden dus niet meer vast! En toch zijn er nu bepaalde kringen, die iedereen ervan willen overtuigen dat het aanroepen van de g’ddelijke Naam essentieel zou zijn voor onze behoudenis en dat het daarom van groot belang zou zijn om die Naam te kennen, huis-aan-huis door te geven en te gebruiken, vooral in de aanbidding. Dat de juiste uitspraak niet meer bekend is, en het derhalve maar om behelpen gaat met de kunstmatige constructie “Jehovah” doet er voor hen niet toe. In één van hun publicaties staat er: “Aangezien er thans geen zekerheid over de uitspraak te verkrijgen is, schijnt er geen reden te zijn de in het Nederlands welbekende vorm ‘Jehovah’ te vervangen door een andere gesuggereerde uitspraak.” – En zo komen wij van het ene uiterste naar het andere. Op grond van tvm> Sh'mot [Exodus] 3:15 ben ik het weliswaar niet eens met de stelling, dat G'ds Naam zo heilig is, dat men hem in het geheel niet zou mogen uitspreken, maar ik ben wel van mening dat G'ds naam inderdaad te heilig is om hem verkeerd uit te spreken! Daarom vind ik, dat men niet zomaar een naam voor de Eeuwige mag gebruiken, waarvan men alleen maar hoopt, dat die de oorspronkelijke uitspraak waarschijnlijk enigszins benadert, om maar te zwijgen over de bewuste keuze voor de reeds bewezen foutieve constructie Jehovah. Maar hoe kunnen wij bidden tot de Allerhoogste als wij Zijn juiste Naam niet eens weten? Yeshua haMashiach zelf geeft ons in vhyttm Matityahu (Mattheüs) 6:9 het antwoord: "Avinu sh'baShamayim - Onze Vader, die in de hemelen zijt..." Wij mogen Hem gewoon Vader noemen! Yeshua belooft ons, dat wij in Zijn Naam rechtstreeks tot de Vader mogen bidden: Te dien dage zult gij in Mijn Naam bidden en Ik zeg u niet, dat Ik de Vader voor u vragen zal, want de Vader zelf heeft u lief, omdat gij Mij hebt liefgehad en geloofd hebt, dat Ik van G’d ben uitgegaan.” (]nxvy Yochanan [Johannes] 16:26) en “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, als gij de Vader om iets bidt, zal Hij het u geven in Mijn Naam.” (vers 23a). Het is voor ons dus helemaal niet relevant of wij de Naam van onze hemelse Vader wel of niet kennen, omdat wij in deze tijd van genade uitsluitend door Zijn Zoon Yeshua [Jezus] tot Hem kunnen komen, er is geen andere weg! “Niemand komt tot de Vader dan door Mij” zei Hij zelf in ]nxvy Yochanan [Johannes] 14:6. Het is daarom van veel groter belang om Zijn echte Hebreeuwse Naam te weten, die in het Nederlands “Redder” betekent, n.l. de Naam iv>y Yeshua, omdat er over Hem geschreven staat: “En de behoudenis is in niemand anders, want er is ook onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven, waardoor wij moeten behouden worden!" (tvlipm Mif’alot [Handelingen] 4:12). Yeshua was niet toevallig als Griek, maar doelbewust als Jood, als Hebreeër hier op deze aarde gekomen, en ook Zijn Hebreeuwse Naam Yeshua werd heel doelbewust door Zijn Vader aan Hem gegeven, niet de Griekse variant Jezus: “Daarom heeft G’d Hem ook uitermate verhoogd en Hem de Naam boven alle naam geschonken, opdat in de Naam van Yeshua zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden: Yeshua haMashiach [Jezus Christus] is Heer, tot eer van G’d, de Vader!” (Filippenzen 2:9-10).

 

Ik zal Mijn naam opnieuw bekend maken...

 

In Yo’el (Joël) 2:32 lazen we inderdaad, dat een ieder, die de Naam van onze hemelse Vader, JHWH hvhy aanroept, behouden zal worden, maar in het jaar 70 werd de stad Jeruzalem verwoest, de stad waarvan G'd gezegd heeft: "Nu heb Ik Jeruzalem verkoren, opdat Mijn Naam daar zijn zou" (b ,ymyh yrbd Divrei haYamim bet [2 Kronieken] 6:6). Ook de Tempel werd verwoest, waarvan de Eeuwige eveneens ooit gezegd heeft: “Ik heb dit huis dat gij gebouwd hebt, geheiligd door Mijn Naam daar voor altijd te vestigen” (a ,yklm Melachim alef [1 Koningen] 9:3. Jeruzalem en de Tempel waren er niet meer en ook G'ds Naam was verdwenen. Die heilige Naam was immers verbonden met Jeruzalem en de Tempel. Maar nu terug tot het begin van deze bijbelstudie. Jeruzalem, de stad die door de Romeinen met de aardbodem gelijk werd gemaakt, is nu weer de hoofdstad van Israël, de bloeiende metropool van het Joodse volk. Betekend dit, dat ook G'ds Naam weer terugkomt, die immers aan deze stad verbonden is? Jazeker! Yeshua zelf heeft het ons beloofd. Op de avond voor Zijn lijden en sterven bad Hij tot Zijn Vader: "Ik heb hun Uw Naam bekend gemaakt, en Ik zal hem bekend maken..." (]nxvy Yochanan [Johannes] 17:26). Hij zei dit aan het einde van Zijn aardse leven. Wanneer zal Hij dan de Naam van Zijn Vader opnieuw aan de mensen bekend maken? Dat gaat gebeuren in de eindtijd, de tijd waarin alle volken tegen Jeruzalem zullen oprukken en Israël zullen aanvallen; de tijd waarin de naam van Yeshua op aarde niet meer aangeroepen zal worden omdat de Gemeente er niet meer is! Het is de tijd, die aan de spoedige wederkomst van de Mashiach [Messias] voorafgaat, de tijd van de grote verdrukking! Israël, het Volk van G’d, staat er alleen voor en alle volken zullen tot Israël’s vijanden behoren. Maar dan zullen opeens de twee getuigen komen om G'ds Naam opnieuw aan Zijn volk bekend te maken zoals geschreven staat in ]vyzx Chizayon [Openbaring] 11:1-14. Iets verderop, in hoofdstuk 16, vers 9 lezen wij: "En de mensen werden verzengd door de grote hitte en zij lasterden de Naam van G'd, die de macht heeft over deze plagen en zij bekeerden zich niet om Hem eer te geven". Zij lasteren de Naam van G'd, dus dan zal hij wel aan iedereen bekend moeten zijn, anders zou het niet kunnen. De profeet Ezechiël voorspelde reeds duizenden jaren geleden, dat de Eeuwige opnieuw Zijn Naam zal openbaren: "Ik zal Mijn heilige Naam bekendmaken onder Mijn volk Israël; Ik zal Mijn heilige Naam niet meer laten ontheiligen; en de volken zullen weten, dat Ik de Eeuwige (hvhy) ben, heilig in Israël. Zie, het komt, het zal geschieden, luidt het woord van de Adonai haShem (hvhy ynvda); dit is de dag, waarvan Ik gesproken heb" (laqzxy Y'chez’qel [Ezechiël] 39:7-8). De Eeuwige zal de twee getuigen zenden om Zijn Naam, die zo lang verdwenen was opnieuw bekend te maken aan Zijn eigen volk Israël, en vervolgens zullen de 144.000 uitverkorenen als zendelingen deze Naam aan alle mensen verkondigen, opdat een ieder weet dat Hij de Eeuwige is, de Almachtige, de Schepper van hemel en aarde, de Heilige van Israël! Het eindscenario is in zicht. De strijd om Jeruzalem is reeds begonnen en zal uitmonden in het grootste bloedbad van de aardse geschiedenis: "Te dien dage zal Ik Jeruzalem maken tot een steen, die alle natiën moeten heffen; allen die hem heffen, zullen zich deerlijk verwonden. En alle volkeren der aarde zullen zich daarheen verzamelen" (hyrkz Zechar’ya [Zacharia] 12:3). "In het gehele land, luidt het woord van Adonai, zullen twee derden uitgeroeid worden en de geest geven, maar een derde zal daarin overblijven. Dat derde deel zal Ik in het vuur brengen, en Ik zal hen smelten, zoals men zilver smelt, ja hen louteren, zoals men goud loutert. Zij zullen Mijn Naam aanroepen en Ik zal hen verhoren. Ik zeg: Dat is Mijn volk; en zij zullen zeggen: De Eeuwige (hvhy) is mijn G'd" (hyrkz Zechar’ya [Zacharia] 13:8-9). En het zal geschieden, dat ieder die de Naam van de Eeuwige (hvhy) aanroept, behouden zal worden, want op de berg Tziyon en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals de Eeuwige gezegd heeft; en tot de ontkomenen zullen zij behoren, die de Eeuwige zal roepen. Want zie, in die dagen en te dien tijde, wanneer Ik een keer zal brengen in het lot van Yehuda [Juda] en van Yerushalayim [Jeruzalem], zal Ik alle volken verzamelen en afvoeren naar het dal van Y’hoshafat [Josafat], en Ik zal aldaar met hen in het gericht treden ter oorzake van Mijn volk en van Mijn erfdeel Israël, dat zij onder de volken verstrooid hebben, terwijl zij Mijn land verdeelden!” (lavy Yo’el [Joël] 2:32 t/m 3:2). Een heerlijke belofte, maar er gebeurt wel iets vreemds: “Ik zal over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem uitgieten de Geest der genade en der gebeden; zij zullen Hem aanschouwen, die zij doorstoken hebben, en over Hem een rouwklacht aanheffen als de rouwklacht over een enig kind, ja, zij zullen over Hem bitter leed dragen als het leed om een eerstgeborene.” (hyrkz Zechar’ya [Zacharia] 12:10). Zie, Hij komt met de wolken en elk oog zal Hem zien, ook zij, die Hem hebben doorstoken; en alle stammen der aarde zullen over Hem weeklagen!” (]vyzx Chizayon [Openbaring] 1:7). De Israëli’s roepen op die dag in hun doodsbenauwdheid de Naam van G’d de Vader (hvhy) aan, maar als antwoord komt G’ds Zoon, Yeshua om hen te redden! Opnieuw wordt duidelijk wat Yeshua bedoelde toe Hij zei: “Ik en de Vader zijn één!” (]nxvy Yochanan [Johannes] 10:30). Voorts blijkt hieruit ook de letterlijke betekenis van Zijn Hebreeuwse naam iv>y Yeshua, namelijk Redder: “Gij zult Hem de naam Yeshua [Redder] geven. Want Hij is het die Zijn volk zal redden van hun zonden.” (vhyttm Matityahu [Matthéüs] 1:21). Dit is niet alleen een belofte, die geestelijk in vervulling zou gaan, maar bij Zijn wederkomst ten opzichte van Zijn volk Israël ook letterlijk! Het overgebleven derde deel van het Israëlische volk zal dus precies datgene doen, waarover de profeet Yo’el [Joël] gesproken heeft en dat door Keifa [Petrus] en Sha’ul [Paulus] werd herhaald: het roept de heilige Naam van de Eeuwige aan: (hvhy) YHVH, en Hij, de G’d van Israël, zal hen verhoren en de vijanden van Israël verdelgen! Yeshua komt in grote pracht en heerlijkheid uit de hemel neerdalen op de Olijfberg, en met Hem de Gemeente, die Hij heeft weggenomen en in veiligheid heeft gebracht lang voor dit alles zal geschieden. Lees de krant, luister naar de radio en kijk naar het journaal op de televisie: de strijd om Jeruzalem is reeds begonnen. Bent u bereid voor de wegname van de Gemeente, die nu elk moment kan plaats vinden?

 

Werner Stauder