002.
Bijbelstudie over
DE NAAM YESHUA - HASHEM YESHUA
iv>y ,>h
Een van
de meest opvallende kenmerken van een Messiasbelijdend >rdm=tyb Beit Midrash
[leerhuis] is het consequente gebruik van de Hebreeuwse namen van de Bijbelse
personen in plaats van hun Griekse varianten, want vertalingen kan men ze
nauwelijks noemen. Elizabeth (Eleisabet) en Jacobus (IakwboV) zijn beslist geen Griekse vertalingen
van ib>yla Elisheva en bqiy Ya'aqov
maar veeleer vergrieksingen daarvan.
Hetzelfde is het ook geval met de naam Johannes (IwauhV) die eigenlijk ]nxvy Yochanan zou moeten
zijn. De Griekse schrijfwijze van Hebreeuwse namen was meestal niet gebaseerd
op een vertaling, maar was veelal een impressionistische weergave van wat men
méénde te horen. In veel gevallen ging de juiste betekenis van de oorspronkelijke
namen, die deel uitmaken van de Joodse cultuur en identiteit, in de Griekse
versie verloren en doortranscriberen naar het Nederlands louter op grond van de
Griekse verbastering maakte de Joodse namen in onze christelijke Bijbels
vrijwel onherkenbaar. En juist de diepere betekenis van een naam speelt sinds
van ouds in het Joodse denken een uitermate belangrijke rol, want reeds in a lavm> Sh’mu’el alef [1 Samuël] 25:25 werd er gezegd: “Zoals iemand heet, zo
is hij!” De eigennaam geeft de persoon aan en is een deel hiervan. G'd heeft in
Zijn heilsplan niets aan het toeval overgelaten en dat geldt zeer zeker ook
voor de keuze van de namen. Deze bijbelstudie is derhalve vooral bedoeld om een
ieder ervan bewust te maken, dat wij met het uitspreken (of juist niet
uitspreken) van namen héél zorgvuldig moeten leren omgaan. Neem als het meest
in het oog springende voorbeeld de naam Jezus (IhsouV) eens. Weet u hoe Zijn
familie en vrienden Hem in de dagelijkse omgang noemden toen Hij in Nazareth
opgroeide, of onder welke naam Hij destijds door de overpriesters en
schriftgeleerden in Jeruzalem werd aangeklaagd voor de religieuze rechtbank?
Het was pertinent niet Jezus! En toch
zijn veel christenen daarin erg hardleers. De bijbelvertalers probéérden niet
eens om de oorspronkelijke Hebreeuwse uitspraak van de “naam boven alle naam” enigszins
te benaderen maar gaven consequent de vergriekste vorm daarvan, IhsouV Iesous, weer op verschillende manieren, afhankelijk van de
denominatie en de taal waarin men de Bijbel leest. Spaanse lezers bijvoorbeeld
komen Jesús
[spreek: Gesoes] tegen. De Italianen spellen Gesù [spreek: Dzjeezoe] en in het
Engels zegt men zoals algemeen bekend Jesus [Dzjieses]. De Duitsers gebruiken eveneens
de spelling Jesus,
maar spreken het uit als Jeesoes. In het Latijn schrijft men de naam Jezus
afwisselend als Iesus,
Iesu, en Iesum, afhankelijk van de
naamvallen. Dat is ook in het Duits het geval: Jesus Christus, Jesu Christi en Jesum Christum. Hetzelfde geldt
ook voor alle andere namen in de Bijbel. Men doet geen enkele poging om de
oorspronkelijke uitspraak na te bootsen. Maar wat is er zo moeilijk aan om Chava te zeggen in plaats van Eva, en waarom kan men
de naam Moshe niet over de lippen krijgen als
men het over Mozes heeft, terwijl men geen enkele moeite heeft met het
uitspreken van de zelfde naam in verband met de voormalige Israëlische minister
van defensie Moshe Dayan? Dat het uitspreken
van een Hebreeuwse naam moeilijker zou zijn dan de Griekse variant daarvan wijs
ik derhalve als argument van de hand, want zelfs geleerden die met de oorspronkelijke
uitspraak van deze namen op de hoogte zijn, gebruiken bij voorkeur de Griekse
en niet de Hebreeuwse namen, wanneer zij het hebben over Bijbelse personen.
Volstrekte onzin is volgens mij ook het veel gehoorde argument: “Waarom zou ik
Jezus op z’n Hebreeuws Yeshua moeten noemen? Ik
ben toch geen Jood?” - Wel, een Griek bent u ook niet, dus waarom gebruikt u
dan wel een Griekse naam? Bovendien was Yeshua
zelf wél een Jood, dus wat is er op tegen om Hem bij zijn eigen naam te noemen?
Interessant in dit verband is ook de manier hoe de vertalers omgaan met de
personen in de Bijbel, die dezelfde naam dragen als onze Mashiach.
Naamgenoten van Yeshua
Nemen
we als voorbeeld één van diens voorouders in het geslachtsregister, die in
Lucas 3:29 in het Grieks Ihsou Iesou wordt genoemd en in het Latein Iesu. In de Leidse Vertaling staat dan ook Jezus, maar de Statenvertaling heeft er Joses van gemaakt en in onze
NBG-vertaling lezen wij tenslotte Jozua,
maar in de Hebreeuwse versie van dezelfde tekst is het uiteraard iv>y Yeshua. Maar ook in TeNaCH [het
Oude Testament] komen wij de Hebreeuwse naam Yeshua
diverse keren tegen. Zo wordt er bijvoorbeeld in arzi Ez’ra [Ezra]
2:2 alsook in hymxn Nechem‘ya [Nehemia] 7:7 en 12:1 gesproken over de ]hvk Kohen [priester] qdjvy=]b iv>y Yeshua Ben Yotzadaq [Jesua,
de zoon van Josadak], die samen met lbbrz Z’rubavel
[Zerubbabel] in het jaar 537 vóór de gewone jaartelling uit de ballingschap
terugkeerde. Hij leidde de wederopbouw van het altaar (arzi Ez’ra [Ezra] 3:2) en van de tempel (arzi Ez’ra [Ezra] 3:8, 4:3 en 5:2). Na alle eerder genoemde versies
(Jezus, Joses en Jozua) komt de
hier genoemde Jesua het meest in de
buurt van Yeshua. De logische vraag is dan: als
de vertalers dus wel in staat blijken te zijn de oorspronkelijke naam Yeshua
in de vorm van Jesua enigszins te
benaderen, waarom doen ze dat dan wel bij een gewone aardse priester, maar niet
bij onze hemelse Hogepriester? Of wil men Hem soms bewust van Zijn volk Israël
loskoppelen?
In Mijn Naam...
Bij Zijn afscheid, vlak voordat
Hij ten hemel gevaren was, zei de xy>m Mashiach [Messias] tegen Zijn mydymlt Talmidim [discipelen]: "Als tekenen zullen deze dingen de
gelovigen volgen: in Mijn naam zullen
zij boze geesten uitdrijven, in nieuwe tongen zullen zij spreken, slangen zullen
zij opnemen, en zelfs indien zij iets dodelijks drinken, zal het hun geen schade
doen; op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen genezen worden" (Marcus 16:17-18). - “In
Mijn naam...” - Welke naam
zou hier wel bedoeld zijn? Jezus??? Ik denk van niet! Als ú het over úw
naam hebt, welke naam zult u dan bedoelen? De naam die u van uw ouders hebt
gekregen en die dan ook officieel geregistreerd staat, of gebruikt u de naam,
die anderen aan u hebben gegeven? Dat kan dus een bijnaam zijn of een
verbastering van uw naam omdat die misschien moeilijk is uit te spreken of
zelfs een scheldnaam. Welnu, ik ga ervan uit, dat een ieder de naam voor
zichzelf opeist, die legitiem is en elke verbastering daarvan afwijst. Als u
tegen iemand die Monique heet Mona of Moontje zegt, zult u gegarandeerd te
horen krijgen: "Zo heet ik niet!”. Een Marokkaanse collega van mij heet Sulayman, maar iedereen noemt hem gewoon Simon want
dat is makkelijker. En toch heet hij niet zo. Een Hindoestaanse collega heet Chander, maar iedereen noemt hem Sander. Dat lijkt er
op, klinkt Hollands, maar zo heet hij niet. Maar om terug te komen op de vraag,
welke naam de Mashiach bedoeld zal hebben toen
Hij zei: ”In
Mijn naam...” zullen wij eerst een andere vraag moeten beantwoorden:
Wie heeft Hem Zijn naam überhaupt gegeven? Waren het Zijn aardse ouders
zoals normaal gebruikelijk is? Het antwoord vinden wij in
vhyttm Matityahu [Matthéüs] 1:21, waarin een engel als boodschapper van
de Eeuwige tegen [cvy Yosef [Jozef] over ,yrm Miryam [Maria] zegt: "Zij
zal een Zoon baren en gij zult Hem de naam iv>y Yeshua [spreek: Jesjoea] geven want Hij is het die Zijn volk
zal redden van hun zonden". Hier hoort dus eigenlijk Yeshua
te staan ongeacht of de engel nou Hebreeuws of Aramees gesproken heeft, want
die naam is in beide talen hetzelfde, maar in elk geval niet Jezus! Het zou namelijk wel erg naïef zijn om te denken
dat een engel als boodschapper van de G’d van Israël tegen een Israëliet uit
het huis van David in het Grieks gesproken zou
hebben! Bovendien zou het in het Grieks ook nergens op slaan, want de diepere
betekenis van de Hebreeuwse naam iv>y Yeshua is namelijk
"Redder”. Dat is in het Grieks niet het geval. In die taal is "Redder"
namelijk SwthraV Sotiras en “Verlosser” is LutrwthV Litrotis. Beide woorden lijken in de verste verte niet op IhsouV Iesous, waarvan de Nederlandse variant Jezus is afgeleid. Neen,
de enig legitieme naam, die "Redder" betekent, is iv>y Yeshua! Hierbij ligt de klemtoon op de u. Maar als men de klemtoon
plaatst op de a, dan wordt het hiv>y Yeshu'a hetgeen “redding” betekent.
Interessant is daarom de woordspeling in de bovengenoemde tekst: "Zij
zal een Zoon baren en gij zult Hem de naam Redder geven, want Hij
is het, die Zijn volk zal redden van
hun zonden.” - In het Hebreeuws is
dit:
.,hytauxm vmi9ta iy>vy avh yk iv>y
vm>9ta tarqv ]b tdly ayhv
"V'hi y'leded
Ben v'qarat et-sh'mo Yeshua ki hu yoshia et-amo mechatoteihem".
Het werkwoord
redden is hier iy>vy yoshia, dat
dus duidelijk in verband met de naam iv>y Yeshua wordt gebruikt. In het Grieks
missen wij deze link. Onze in Nederland zeer bekende Joodse zuster Rebecca de
Graaf-van Gelder heeft eens over de naamgeving van de Mashiach
het volgende geschreven: “Die vergriekste naam is een eigen leven gaan leiden
en hierdoor is de identiteit van Israëls
Messias verloren gegaan, zodat men steeds moet uitleggen: ‘Ja, maar Jezus was
een Jood’. Zo’n 2000 jaren hebben de kerken dit (zeker voor Israël)
verduisterd. Men heeft van Hem en Zijn volgelingen een christen, christenen gemaakt.
Wat denkt u van die Joodse herders daar in de velden van Efrata, bij de aankondiging van de geboorte van de
Messias, dat de engel gezegd zou hebben: ‘Zie, ik verkondig u grote blijdschap,
die heel het volk (Israël) wezen zal, namelijk dat u heden geboren is de
Zaligmaker, welke is Christus de Here,
in de stad Davids’. Die eenvoudige herders verstonden geen Grieks neem ik aan.
Ook komt het mij vreemd voor dat vanuit de geopende hemel Grieks gesproken is.
In alle geval hebben de herders de taal uit de hemel verstaan, want ze zijn
meteen gaan kijken en hebben gevonden waarvan de engel hen vertelde: zij gingen
het Woord zien!” Tot zover tante Rebecca. Wat voor de herders gold, is ook voor
Yosef [Jozef] van toepassing: ook hij als
eenvoudige timmerman zal volgens mij geen Grieks hebben gesproken en zo zal de
boodschapper van de Eeuwige beslist niet de naam Jezus genoemd hebben zoals in de christelijke bijbels staat, maar
Zijn echte Hebreeuwse naam iv>y Yeshua! Dezelfde engel
maakte deze naam ook aan Miryam [Maria] bekend,
zoals wij in Lucas 1:31 lezen: "En zie, gij zult zwanger worden en een
Zoon baren en gij zult Hem de naam Yeshua geven".
.iv>y vm> tarqv]b tdlyv hrh ;nhv
“V’hinach hara
v’yaladet Ben v’qarat sh’mo Yeshua.” -
Wanneer vond de naamgeving plaats? Hier in Europa is het de gewoonte, dat dit
reeds bij de geboorte van een baby gedaan wordt i.v.m. de geboortekaartjes en
bij de rooms-katholieken bij de doop, vandaar dat men spreekt van ‘doopnaam’.
Bij de Joden krijgt een jongetje zijn naam echter bij de hlym=tyrb B'rit-mila, [besnijdenis], die acht dagen na de geboorte plaats
vindt. Bij de ceremoniële orde van de hlym=tyrb B'rit-mila [besnijdenis]
wordt door de lhvm Mohel [besnijder] het volgende gebed uitgesproken: “Behoud dit
kind voor zijn vader en zijn moeder. Zijn naam zal in Israël zijn: N.N., de
zoon van N.N. Moge de vader zich verheugen over zijn eigen kind en moge zijn
moeder zich verblijden over de vrucht van haar schoot". Zo was het ook met
Yeshua. Ook Hij kreeg Zijn naam pas bij de hlym=tyrb B'rit-mila: "En toen acht dagen vervuld waren, zodat zij
Hem moesten besnijden, ontving Hij ook de naam iv>y Yeshua, die
door de engel genoemd was, eer Hij in de moederschoot was ontvangen" (Lucas
2:21). Vanaf het begin heeft de Eeuwige dus al de naam Yeshua voorbestemd voor Zijn Zoon, niet een Griekse
variant daarvan, en uitsluitend door de naam Yeshua kunnen wij behouden worden,
zoals Keifa haShaliach [de apostel Petrus] in tvlipm Mif’alot [Handelingen] 4:12 duidelijk zegt: "En de
behoudenis is in niemand anders, want er is ook onder de hemel geen andere naam
aan de mensen gegeven, waardoor wij moeten behouden worden!" - Als wij
er van uitgaan dat de engel geen Grieks sprak in zijn boodschap aan Yosef [Jozef] en Miryam
[Maria] en dus de oorspronkelijke Hebreeuwse naam Yeshua
noemde, dan sluit bovengenoemde tekst dus elke andere naam uit. Helaas zijn er
tegenwoordig maar weinigen in de christelijke wereld, die de naam Yeshua kennen, laat staan dagelijks gebruiken,
behalve dan de Messiasbelijdende gelovigen. Maar in de eerste hrv>b B'sora [het eerste Evangelie] lezen wij, dat ook de ,yvg Goyim [heidenen ofwel niet-joden] de naam Yeshua behoren te kennen: "En op Zijn naam
zullen de heidenen hopen" (vhyttm Matit’yahu [Matthéüs]
12:21). Het kennen en gebruiken van Zijn echte naam heeft uiteraard ook
onaangename gevolgen voor ons, want de vijand vindt dat natuurlijk niet leuk.
Daarom wilde Yeshua ons reeds daar op voorbereiden,
toen Hij zei: "Dan zullen zij u overleveren aan verdrukking en zij
zullen u doden, en gij zult door alle volken gehaat worden om Mijns Naams wil" (vhyttm Matit’yahu
[Matthéüs] 24:9). Welke naam hier op de eerste plaats wordt bedoeld, blijkt
heel duidelijk in het land van de Mashiach
zelf, want zolang de staat Israël bestaat hebben daar de christenen, die de
naam “Jezus” belijden en verkondigen, nooit noemenswaardige problemen gehad met
religieuze Joden. Maar sinds er in toenemende mate Joodse mensen tot bekering
komen, die de naam “Yeshua” belijden, is het
hek van de dam! Vooral de orthodoxe Joden reageren heel agressief en vijandig
op de aanwezigheid van de Messiasbelijdende Joodse gemeenten, terwijl de
“gewone” christelijke kerken min of meer onaangetast blijven. In Israël maakt
het dus wel degelijk iets uit of je nu de ene of de andere naam van onze Zaligmaker
gebruikt! Het is dus zeker waar, wat Yeshua zei
ten opzichte van het belijden van Zijn naam, maar Hij voegt er nog een
belangrijke zin aan toe om ons te bemoedigen om vooral daarmee door te gaan: "En
gij zult door allen gehaat worden om Mijns Naams wil; maar
wie volhardt tot het einde die zal behouden worden" (vhyttm Matit’yahu [Matthéüs] 10:22). Natuurlijk hangt onze behoudenis niet
uitsluitend af van het al dan niet kennen van Zijn naam. Gelukkig niet! Onze
G’d is immers een Vader die van Zijn kinderen houdt en Hij is genadig om óók de
gebeden te verhoren die in de naam van “Jezus” worden uitgesproken. Maar let
wel: iedereen vindt het fijn om bij zijn eigen naam genoemd te worden. Dat
geldt óók voor Yeshua!
Noodoplossing
Ik ben het volgende
van mening: indien het Nieuwe Verbond in de plaats van het Oude zou zijn
gekomen, wat dikwijls wordt beweerd, en als de christelijke Kerk als G’ds volk
in de plaats van Israël zou zijn gekomen, dan was onze Verlosser niet in Israël
geboren, en zeker niet in de stad van David, maar in Griekenland, Rome of elders. En als de Eeuwige had gewild dat Zijn
Zoon een Griekse naam zou dragen en onder die naam wereldwijd bekend gemaakt
zou worden, dan was Hij wel als Griek of Romein op aarde gekomen en niet als
Jood uit het geslacht van David! Er werd
eens aan mij gevraagd: “Als het G’ds bedoeling was dat Zijn Zoon uitsluitend
bij Zijn Hebreeuwse naam Yeshua zou worden
genoemd, hoe is het dan te verklaren dat Paulus in zijn brieven, die hij toch echt wel in het Grieks heeft geschreven en
niet in het Hebreeuws, consequent de Griekse naam IhsouV Iesous gebruikte en niet de Hebreeuwse naam iv>y Yeshua? Die brieven maken toch ook deel uit van
G’ds Woord en als Paulus er geen moeite mee
had om de Griekse naam Jezus te gebruiken, dan zou dit voor ons toch ook geen
probleem mogen zijn?” Inderdaad, Paulus had werkelijk geen enkele moeite met het schrijven van Iesous (IhsouV) in zijn Griekse
brieven, maar het probleem is, dat hij daarentegen wel de grootste moeite had
om de naam Yeshua in Griekse letters
op papier te krijgen. Sterker nog: het was en is zelfs volstrekt onmogelijk! Paulus kon niet eens zijn eigen Hebreeuwse naam lva> Sha’ul in het Grieks schrijven, omdat de letter w Shin in het Griekse alfabet helemaal niet bestaat! Het wordt dus behelpen met
een vage benadering. Als er geen w Shin is, moeten we het maar doen met de s Sin, en dat is in het Grieks dus de sSigma (S bij het begin, s in het midden en V aan het einde van een woord of naam). Zo is de gehelleniseerde vorm van Sha’ul dan ook Saoul Saoul of Sauloz Saulos. Hetzelfde geldt ook voor de w Shin in iv>y Yeshua. Daar komt nog bij dat de i Ayin oorspronkelijk een keelklank was die men
nauwelijks kon horen, en zo veranderde iv>y Yeshua [spreek:
Jesjoea] in Ihsou Iesou [spreek: Jesoe].
Afhankelijk van de naamval komt daar nog een sluit-“s” bij: Ihsouz Iesous [spreek: Jesoes].
Zo ontstond dus de naam Jezus als noodoplossing,
want in het Grieks was het dus maar behelpen! Dat het maar behelpen was en geen
officiële naam blijkt uit de onmogelijke Grieks/Hebreeuwse constructie van de
naam Barjezus in Handelingen 13:6 Daar staat in het Grieks Barihsouz Bariesous. Dat betekent “zoon van Jezus”. In het Hebreeuws
staat er inderdaad: iv>y=rb Bar-Yeshua want rb Bar is namelijk geen Grieks woord, maar een
Hebreeuws woord en betekent “zoon”. Als die naam echt helemaal op z’n Grieks
geschreven was zou er moeten staan: uioz tou Ihsouz Huios tou Iesous. Toch dat staat er
niet, maar daarvoor wel een merkwaardig mengsel. Daaruit blijkt, dat de naam Bar-Yeshua hier weliswaar met Griekse letters geschreven
is, maar niet in het Grieks vertaald. Het schrijven van Iesous wil dus niet zeggen dat die naam voortaan
ook een officiële status zou krijgen. De Grieken hadden geen keus, maar zoals
ik reeds opmerkte, zijn wij geen Grieken en Nederlanders kunnen de w Shin in tegenstelling tot de Grieken moeiteloos uitspreken en door middel van
de combinatie “sj” of “sh” ook schrijven, dus wat houdt ons nog tegen om de
naam Yeshua zo uit te spreken als het
oorspronkelijk ook bedoeld was?
De Naam boven alle naam
Het is dus van
groot belang voor ons om de naam Yeshua te kennen en om te weten, dat deze Hebreeuwse naam door de Eeuwige zelf aan Zijn Zoon is gegeven. In Filippenzen
2:9-11 lezen wij: "Daarom heeft G'd Hem ook uitermate verhoogd en Hem
de naam boven alle naam geschonken,
opdat in de naam van Yeshua zich alle knie zou buigen van hen, die in de
hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden:
Yeshua haMashiach is Heer, tot eer van G'd, de
Vader!" - Hier wordt er gesproken over de naam boven alle naam,
dus naam in
enkelvoud. Niet Jezus én Yeshua én Isa, zoals
Hij in de Qur’an [Koran] heet. Slechts één naam
wordt genoemd: Yeshua! Dàt en niets anders zegt
Keifa [Petrus] dus zoals reeds eerder
geciteerd: "En de behoudenis is in niemand anders, want er is ook onder
de hemel geen
andere naam aan de mensen gegeven.
waardoor wij moeten behouden worden!" (tvlipm Mif’alot [Handelingen]
4:12).
Voorstanders van de
vergriekste vorm van de naam Yeshua beroepen
zich op de sterke hellenistische invloeden binnen het toenmalige Jodendom en de
Septuaginta, de eerste Griekse
vertaling van TeNaCH, waarin deze naam
reeds wordt weergegeven als Ihsouz Iesous, dus Jezus. En zo
was Jezus onder de hellenistische Joden een heel gebruikelijke naam, en ook
Jezus Christus zou daarin geen uitzondering vormen. Maar dat doet Hij wél, want
als zoon van een eenvoudige timmerman uit Galilea was Hij helemaal geen
hellenistische Jood, maar een rasechte Israëli, en Hij had dan ook niets te
maken met de Septuaginta! Deze
Griekse vertaling van de Hebreeuwse Geschriften ontstond omstreeks 280 vóór de
gewone jaartelling uit de behoefte voor de eredienst van de Joden in de
diaspora van de hellenistische wereld, die vervreemd waren van de taal van hun
voorvaderen. Maar zowel Yeshua alsook Zijn
Talmidim [discipelen], de Sh’lichim [apostelen] en drie van de vier evangelisten
waren absoluut niet vervreemd van hun moedertaal, maar spraken het Aramees in
hun dagelijkse omgang en het Hebreeuws in de eredienst! Bovendien bezat de Septuaginta als vertaling geen openbaringskarakter en in
haar bestaan als kopie van het origineel bleef zij binnen het Jodendom slechts
ondergeschikt aan de oorspronkelijke Hebreeuwse canon. Het christendom bracht
daar verandering in door de canonisatie van de nieuwtestamentische Griekse geschriften
en daardoor dus ook van de Septuaginta. Haar overname door de christenen was de diepste ingreep in de
geschiedenis van de Septuaginta. In het Jodendom werd dit de reden tot een nieuwe bezinning op de relatie
tussen de oorspronkelijke openbaring en de vertaling en een verscherping van
opvattingen die oorspronkelijk reeds onder de Joden aanwezig waren. Hun houding
tot deze Griekse vertaling van de Heilige Schrift werd mede bepaald door de
diepe kloof die er bestond tussen de hellenistische en palestijnse Joden. De
hellenistische Joden onderscheidden zich van hun volksgenoten principieel wat
betreft hun geestelijke structuur (Grieks denken), taal (Grieks praten),
politieke overtuiging (bekleden van openbare functies bij de heidenen) en hun
culturele opvattingen (in sterk gehelleniseerde kringen bezocht men theaters,
droeg Griekse kleding en men gebruikte Griekse of gehelleniseerde namen). De
brede kloof tussen beide Joodse volksgroepen wordt tegenwoordig vaak over het
hoofd gezien of men plaatst hem binnen het kader van de christelijke opvattingen
omtrent de tegenstellingen tussen Jodendom en christendom, oudtestamentisch en
nieuwtestamentisch, waarbij de hellenistische Joden uiteraard aan de “goede
kant” staan. Vandaar dus het consequente gebruik van Griekse of Latijnse namen
als Jezus, Petrus, Paulus, Jacobus en Johannes in plaats van Yeshua, Keifa, Sha’ul, Ya’aqov en Yochanan. Deze opvatting komt bijzonder duidelijk
naar voren in de misvatting dat de vermeende naamsverandering van Sha’ul iets te maken zou hebben met zijn bekering.
Wie kent niet de veel gebruikte uitspraak: “Van Saulus werd een Paulus” als iemand zijn leven positief heeft veranderd.
Dus toen Sha’ul nog een religieuze
Jood was heette hij Saulus, en toen was hij een slecht mens. Maar toen hij een
christen werd, dus een goed mens, noemde hij zich Paulus en deed afstand van zijn Joodse naam. Deze
verandering van slecht naar goed, van Jood naar christen, van de Hebreeuwse
naam naar de Romeinse naam was één van de voedingsbodems voor christelijk antisemitisme
en het berust in het geheel niet op waarheid. In tegenstelling tot Joden die de
Bijbel woord voor woord uitpluizen, zijn christenen vaak gewend om over een
heleboel dingen heen te lezen, zo ook wat Paulus betreft. Er staat nergens dat zijn naam ooit veranderd is, laat staan dat
die naamsverandering iets te maken zou hebben met zijn bekering en nieuw leven.
Hij heette namelijk vanaf zijn geboorte tot zijn dood aan toe zowel lva> Sha’ul voor de Joden alsook Paulus voor de Romeinen en Pauloz Paulos voor de Grieken. Als Romeins staatsburger
genoot hij namelijk het voorrecht om twee namen te mogen dragen. Zijn familie
leefde in twee werelden en stond met de ene voet in de Griekse en met de andere
voet in de Joodse cultuur. Van zijn ouders kreeg hij derhalve zowel de
Hebreeuwse naam Sha’ul, hetgeen betekent:
“Hij om wie gebeden is” alsook de Latijnse naam Paulus, hetgeen “de kleine” betekent. Er is dus geen sprake van, dat hij na zijn
bekering zijn Joodse naam zou hebben afgelegd. Leest u het zelf maar: in tvlipm Mif’alot [Handelingen] 9 lezen we over
de bekering van Saulus, en in de hoofdstukken 11 en 13 op zijn zendingsreizen
naar Fenicië, Cyprus en Antiochië, heet hij nog steeds Saulus terwijl hij al
lang bekeerd was. In Handelingen 13:9 in de vertaling van “Het Boek” wordt het
zelfs nadrukkelijk vermeldt, dat hij reeds zijn hele leven lang beide namen naast elkaar had: “Saulus, die toen al Paulus werd genoemd...”. In de NBG-vertaling lezen wij: “Doch Saulus, anders
gezegd Paulus...”, maar de statenvertaling“
is zelfs nog duidelijker: “Doch Saulus, die ook Paulus genaamd is…”. Ook in
het Engels staat er: “Then Saul, who also
is called Paul...”. U ziet dat veel christelijke opvattingen niet berusten
op bijbelse waarheden, maar op persoonlijke interpretaties, die een eigen leven
zijn gaan leiden. Zo ook het gebruik van Griekse namen voor Joodse mensen. Sha’ul zou het niet in zijn
hoofd gehaald hebben om in de omgang met zijn eigen Joodse volksgenoten de
Romeinse naam Paulus te gebruiken. En Shim’on, door Yeshua ook Keifa genoemd, die een eenvoudige visser was en derhalve geen
woord Grieks sprak, wist niet eens, dat hij later onder de Romeinse naam Petrus wereldwijd bekend
zou worden. Weet u, Europeanen kunnen zich over het algemeen moeilijk
verplaatsen in de gevoelens van een gekoloniseerd volk jegens de kolonisatoren,
omdat zij gedurende de koloniale geschiedenis meestal zelf de kolonisatoren
waren! Daarom ben ik genoodzaakt om terug te grijpen op de jongste
geschiedenis. Tijdens de Duitse bezetting in ‘40-‘45 waren er ook talrijke Nederlanders,
die pro-Duits waren, maar vertegenwoordigden zij het Nederlandse volk?
Natuurlijk niet! En datzelfde geldt dus ook voor de hellenistische Joden. Het
Grieks was voor de Joden, die hun taal en cultuur trouw gebleven waren (óók in
de diaspora) toch de taal van de vijand, en zo werden de hellenistische Joden
dan ook vaak gezien als overlopers. Zo is het gebruik van Griekse namen het
grootste struikelblok bij de poging van christenen om Joden met het Evangelie
te bereiken. Wil men de kloof tussen Jodendom (al dan niet Messiasbelijdend) en
christendom overbruggen, zou men toch ook binnen de kerken op zijn minst op de
hoogte moeten zijn van de oorspronkelijke Hebreeuwse namen en sowieso in de
omgang met Joden dan ook toepassen.
Joodse opvatting van namen:
Een veelgehoorde kreet in de
westerse wereld is tegenwoordig helaas: "What's in a name?" In
Nederland zegt men: "Als het beestje maar een naam heeft". Een naam
is tegenwoordig dus van ondergeschikt belang. Ouders letten bij de naamgeving
voornamelijk op de leuke klank van een naam. Een naam moet gewoon lekker
klinken zegt men. Een modeverschijnsel is ook, dat men kinderen vernoemt naar
pop-, sport- of filmsterren. Sommige ouders geven hun kinderen zelfs
fantasienamen, die ze zelf verzonnen hebben. Bijna niemand let nog op de
betekenis van een naam. Heel anders is het in het Jodendom! Het Joodse denken
hecht bijzonder veel waarde aan de naamgeving. Reeds de namen van het Joodse
volk zélf en haar taal hebben een speciale betekenis: de Israëlieten worden ook
Ivrim ,yrbi [Hebreeën] genoemd en hun taal
heet Ivrit tyrbi [Hebreeuws]. De stam van deze
worden is ayin i vet b en resh r
hetgeen ever rbi ofwel "overkant" of “de andere kant”
betekent. De Ivrim [Hebreeën] stonden "aan
de andere kant” in oppositie tegenover de heidense afgodencultuur. Zij
proclameerden het zuivere monotheïsme in een hun vijandig gezinde wereld. In
feite is dat nog steeds zo. Maar het verschil met toen is, dat er nu ook miljoenen
gelovigen uit de volken naast hun Joodse broeders en zusters "aan de andere
kant" staan (of behoren te staan), en dat maakt eigenlijk ook hun tot Ivrim. We zien dus, dat de naamgeving in het Jodendom
van groot belang is. Om dat te begrijpen, moeten wij ons steeds voor de geest
houden dat, volgens de Joodse opvatting, een naam de persoon zelf vertegenwoordigt
en er een natuurlijk geheel mee vormt. De naam is niet alleen uitdrukking van
het wezen, maar is er ook mee geladen. Dit hangt samen met de manier waarop de
oosterling denkt: reeds de gedachten en de plannen van de menselijke geest
staan veel dichter bij de werkelijkheid dan in de westerse manier van denken
het geval is. We komen het in B'rit haChadasha h>dxh tyrb [het
z.g. Nieuwe Testament] tegen, als Yeshua toorn
jegens een broeder gelijk stelt met moord en het kijken naar een vrouw gelijk
stelt met echtbreuk. Dat geldt voor de gedachte, maar nog meer voor het gesproken
woord. Er gaat een kracht van uit die gestalte geeft aan de werkelijkheid. De
naam is dus onvervreemdbaar eigen aan een persoon, een plaats of een voorwerp. Rabbi Eliahu Dessler stelt, dat een pasgeboren kind niet toevallig een naam
krijgt. De naam die de ouders in gedachten hebben, geldt als een n'vua ketana, een kleine profetie, omdat in de naam
het wezen van het nieuwe mensje tot uitdrukking komt. Bewijzen voor deze
stelling vinden we zowel in de TeNaCH alsook in
B'rit haChadasha, het z.g. Oude- en Nieuwe Testament.
Het begint reeds in ty>arb B'reshit [Genesis] met ,da Adam hetgeen simpelweg mens betekent. Het Hebreeuwse
woord ,da Adam [mens] laat zich echter gemakkelijk met Adama h,da [aarde] associëren, hetgeen verwijst naar het
feit, dat Adam van aarde is gemaakt. Over de
naamgeving van hvx Chava [Eva]
lezen we in ty>arb B'reshit [Genesis] 3:20
het volgende: "En de mens noemde zijn vrouw Chava
[de leven gevende], omdat zij de moeder van alle levenden is geworden".
U ziet dat ook hier de verbastering Eva totaal zonder betekenis is terwijl het
Hebreeuwse origineel Chava hvx
duidelijk verband houdt met yx Chai (leven). We gaan verder
met Genesis 4:1, waarin staat: "De mens nu had gemeenschap met Chava, en zij werd zwanger en baarde ]yq Qa'in [Kaïn]; en zij zeide: Ik heb met de hulp van Adonai een man verkregen". Deze
uitspraak van Chava slaat op de naam die ze aan
het kind heeft gegeven, want ]yq Qa'in betekent: "de
verworvene". De naam van haar tweede kind geeft reeds bij zijn geboorte
aan, dat hij geen lang leven had te verwachten, want in vers 2 lezen wij, dat
ze hem lbh Hevel [Abel] heeft genoemd, dat is "de vergankelijke".
Hij werd door zijn broer vermoord. Hier gaat de stelling dat de naamgeving een
kleine profetie is, beslist heel letterlijk op. Onze opvatting, dat bij een
vergrieksing van Joodse namen daarentegen de diepere betekenis daarvan verloren
gaat, zien wij duidelijk bevestigd bij de naam Elizabeth (Eleisabet). Het Hebreeuwse origineel ib>yla Elisheva betekent "mijn G'd is
volmaakt". la El betekent “G'd”, yla Eli is “mijn G'd” en ib> Sheva
betekent "volmaakt". Typisch Joods is hierbij het feit, dat ib> Sheva tevens ook de Hebreeuwse naam van het getal
"zeven" is, en zoals u weet is de zeven het getal van de
volmaaktheid! De combinatie “El” en “Sheva”, dus "G'd" en
"volmaaktheid" missen wij in de Griekse versie Elizabeth!
De namen van de stamvaders:
Het typisch Joodse
verschijnsel, dat er bij de naamgeving meteen een uitspraak over de betekenis
daarvan wordt gedaan vinden we o.a. bij de stamvaders van Israël: "En Lea werd zwanger, baarde een zoon, en gaf hem de naam
]bvar R'uven [zie: een zoon!], want, zo zeide zij, voorwaar,
de Eeuwige heeft mijn ellende aangezien; voorwaar nu zal mijn man mij liefhebben.
En zij werd wederom zwanger, baarde een zoon, en zeide: Voorwaar, de Eeuwige
heeft gehoord, dat ik niet bemind ben, en heeft mij ook deze geschonken; en zij
gaf hem de naam ]vim> Shim'on [de
verhoorde]. Wederom werd zij zwanger, baarde een zoon, en zeide: Nu zal mijn
man zich ditmaal aan mij hechten, omdat ik hem drie zonen gebaard heb; daarom
gaf ze hem de naam yvl Levi [de zich aansluitende]. En zij werd wederom
zwanger, baarde een zoon, en zeide: Nu zal ik de Eeuwige loven; daarom gaf zij
hem de naam hdvhy Y'huda (hij die de Eeuwige looft). Toen hield zij op met baren." (ty>arb B'reshit
[Genesis 29:32-35]. "Toen zeide Rachel:
G'd heeft mij recht verschaft, ook heeft Hij mij verhoord en mij een zoon
gegeven; daarom gaf zij hem de naam ]d Dan [rechter].
Wederom werd Bil’ha, de slavin van Rachel, zwanger en baarde Ya'aqov
een tweede zoon. Toen zeide Rachel: Op bovenmenselijke
wijze heb ik met mijn zuster geworsteld, ook heb ik overmocht; en zij gaf hem
de naam yltpn Naf’tali [lvtpn Naf’tul = conflict]."
(30:6-8). "En Zil’pa, de slavin van Lea baarde Ya'aqov
een zoon. Toen zeide Lea: Het geluk is gekomen,
en zij gaf hem de naam dg Gad [trots, groot]. En Zil’pa, de slavin van Lea,
baarde Ya'aqov een tweede zoon. Toen zeide Lea: Ik gelukkige! Voorzeker zullen de jongedochters
mij gelukkig prijzen; en zij gaf hem de naam r>a Asher [gelukzaligheid]."
(30:10-13). "En G'd hoorde naar Lea,
zij werd zwanger en baarde Ya'aqov een vijfde
zoon. Toen zeide Lea: G'd heeft mij mijn loon
gegeven, omdat ik mijn slavin aan mijn man gegeven heb; en zij gaf hem de naam rk>>y Yisas'char [G'd geeft loon]. Wederom werd Lea zwanger en baarde Ya'aqov
een zesde zoon. Toen zeide Lea: G'd heeft mij
een schoon geschenk gegeven; ditmaal zal mijn man bij mij wonen, omdat ik hem
zes zonen gebaard heb; en zij gaf hem de naam ]vlbz Z'vulon [de vorstelijke]."
(30:17-20). "Toen gedacht G'd Rachel,
en G'd verhoorde haar; Hij opende haar schoot, en zij werd zwanger en baarde
een zoon. Toen zeide zij: G'd heeft mijn smart weggenomen; en zij gaf hem de
naam [cvy Yosef [de Eeuwige heeft toegevoegd], zeggende: Moge
de Eeuwige mij er nog een andere zoon bijvoegen."
(30:22-24). "En voordat er een jaar van hongersnood kwam, werden Yosef twee zonen geboren, die Ash’nat, de dochter van Potifera, de
priester van On, hem baarde. Yosef gaf aan de eerstgeborene de naam h>nm M'nashe [Hij die doet vergeten], want zeide hij: G'd
heeft mij al mijn moeite doen vergeten, en ook het gehele huis mijns vaders. En
aan de tweede gaf hij de naam ,yrpi Efrayim
[de vruchtbare], want zeide hij: G'd heeft mij vruchtbaar gemaakt in het
land mijner ellende" (41:50-52). Aan de hand van deze opsomming wordt
duidelijk dat elke Joodse naam een diepere betekenis heeft.
De naam in de Joodse traditie:
Een Jood leeft in zijn naam en
leeft er in voort. Hij sterft gerust in de zekerheid, dat zijn naam voort zal
leven in zijn nageslacht of tenminste in een duurzaam grafmonument. De grootste
ramp die iemand kan treffen, is, dat zijn naam wordt uitgeroeid, dat hij geen
nageslacht heeft. Dat verklaart ook, waarom de zorg voor het nageslacht zo een
centrale plaats inneemt in de Bijbel. Om de naam te laten voortleven, worden
Joodse kinderen doorgaans naar overleden familieleden vernoemd. Een ander
aanknopingspunt voor een naam vormt het tijdstip van de geboorte. Een kind, dat
op tb> Shabat geboren is, wordt dikwijls ytb> Shab’tai genoemd. Maar
een Purim-kind heet uiteraard rtca Ester of ykdrm Mordechai en een Chanuka-kind
wordt meestal naar vhyttm Matityahu vernoemd, de
leider van de Maccabeeën in de opstand tegen de Hellenisten. Een kind, dat op Yom Kipur [Grote Verzoendag] wordt geboren, heet meestal ,ymxr Rachamim
[barmhartigheid]. Volgens de >rdm Midrash
(verzameling van verklaringen van Torateksten)
heeft ieder mens drie namen: de naam die hij krijgt van zijn ouders, de naam
waaronder hij bekend staat bij derden en als belangrijkste de naam die hij zich
door zijn daden heeft verworven. Dit laatste vinden wij in yl>m Mishlei [Spreuken] 22:1, waarin wij aldus lezen: "Een
goede naam is verkieslijker dan veel rijkdom". Ook het boek tlhq Qohelet [Prediker] haakt hierop in: "Een goede naam is
beter dan goede olie" (7:1).
Namen van de Allerhoogste:
Over de naam van G'd volgt
later een aparte bijbelstudie. Maar in dit kader wil ik mij nu beperken tot
enkele van de vele namen, die gebruikt worden om Zijn echte naam te omzeilen.
De bekendste is natuurlijk ynvda Adonai [Heer]. In B'reshit [Genesis] 17:1 wordt Hij yd> la El-Shadai [de Almachtige] genoemd. In Lucas 1:32
kennen wij Hem als ]vylih haElyon [de
Allerhoogste], in Marcus 5:7 als ]vyli la El-Elyon [de allerhoogste G'd],
in Marcus 14:61 daarentegen als !rbmh haM'vorach [de
Gezegende]. In Matthéüs 26:64 noemt men Hem hrvbgh haG'vura [de Macht] en
in Yochanan Alef [1 Johannes] 2:20 wordt Hij >vdqh haQadosh
[de Heilige] genoemd. Een van de tegenwoordig meest gebruikte namen voor
de Eeuwige vinden wij in Yochanan Gimel [3
Johannes] 1:7, namelijk: ,>h haShem [de Naam]. En met de naam boven alle naam wil ik deze bijbelstudie
afsluiten, want er is ook onder de hemel geen andere naam aan de mensen
gegeven, waardoor wij moeten behouden worden: Yeshua!